Welkom in mijn geest!

Wandel rond, kijk om u heen, neurie een melodietje,
ga op een gedachte zitten, blijf even stilstaan bij een verhaal
als u wilt - en laat eventueel een stukje van uw geest achter.
Want denken doet geen zeer, toch?
 
(Voor de duidelijkheid: zo schrijf ik wat ik schrijf.)
 
egeltjegrey.jpg
En vergeet niet: ruilen kan altijd! Graag zelfs.

*Rede

Hoe lang bent u nu al niet meer buiten de vier muren van deze kamer geweest?

Nou dat is een goede vraag. Ik zou zeggen, ik zou zeggen een week of zestien. Misschien meer. Misschien minder, maar het voelt als zestien weken precies. In die tijd ben ik natuurlijk wel buiten geweest, maar niet lichamelijk. Niet werkelijk met mijn voeten aan mijn benen onder mijn romp letterlijk de straat op gewandeld natuurlijk, dat weet u ook wel, maar ik heb het druk gehad met de vele personen die ik gesproken heb - sommige van hen herkende ik amper nog. Ik ben begonnen bij juf Sanne, van groep drie weet u nog, zij was de eerste die me iets leerde over mezelf, over hoe het moet, dat leven. En daarna ben ik langzaamaan naar voren gaan werken, mijn judo-leraar, hij zag er nu heel anders uit, veel dikker en kaler, en toen Sophie natuurlijk, mijn eerste vriendinnetje, en die had slimme dingen te vertellen, die is heel wijs geworden, en toen Johan, ja Johan, hij was toen al zo oud, een stille buurman terwijl wij zo luidruchtig buiten speelden, en hij is nu honderddertig, misschien wel ouder, en ik wist niet zo goed of dat wel kon, maar ik herkende hem toch, hij was hetzelfde maar dan gerimpelder en hij wees me erop dat ik ook met mijn vader moest praten en daarna ben ik naar Rosco en Hilde gegaan maar die waren zo vijandig, en natuurlijk al mijn professoren van de universiteit, die hebben ook allemaal hun duit in het spreekwoordelijke zakje gedaan. En Janne natuurlijk, die mocht niet ontbreken. En zo moe, nu ben ik zo moe maar daar moet dokter Waalghe niets van weten.

En dat is de reden waarom u nu in bed ligt?

Precies ja, precies. De uitputting nabij, zo noemen ze dat toch? En dan overdrijf ik niet eens, ik zou niet weten hoe.

En die zinnen op de muren, dat zijn transcripties van al uw gesprekken? Die woorden, rij na rij, en kriskras overdwars, die langzaam overgingen in kriebels, gefrustreerde krassen waar geen logica meer in te ontdekken is, die houden u bij de les?

Ik heb heel veel gelezen vroeger, heel veel boeken, alles las ik, van de Koude Oorlog tot Hoe houdt ik succesvol kamerplanten, van Nietsche tot de streekromannetjes in de supermarkt en alles daartussen in. Ik had hele kasten vol boeken, en ik had ze allemaal gelezen, sommige wel drie keer, en ze vulden mijn kamers en ik stapelde ze rond mijn bed en niets ontging me, ik was zo scherp en ik absorbeerde het, ik absorbeerde iedere zin en alles wat daarmee bedoeld werd en de wijsheid van de…

Waarom bent u vastgebonden?

Van de… van de schrijvers, en ik had een tijd twee katten, die waren veel buiten maar kwamen altijd ’s avonds op mijn schoot liggen en die vertelde ik dan wat ik vandaag geleerd had en natuurlijk begrepen ze daar geen sikkepit van maar het hielp mij wel om scherp te blijven want of je nu tegen twee katten of een volle collegezaal spreekt je moet weten wat er allemaal in je brein zit, je moet het soepel houden, je kunt niet…

Denk je nog ooit terug naar huis te kunnen, weg uit deze instelling? Denk je dat een van die dokters je nog laat gaan, dat die hele dikke map vol aantekeningen een happy end zal hebben? Denk je dat die rubberen riemen nog lang afdrukken op je polsen en enkels zullen maken? Denk je, denk je dat dokter Waalghe misschien wel gelijk had toen hij zei dat je mensen niet in gedachten kunt bezoeken dat het wel kan maar dat al hun woorden, dat al hun woorden dan van jou zijn? Dat het allemaal werkelijk in je hoofd zit dat je misschien wel echt in ontkenning bent en dat er…

Kijk, dat is allang geen goede interviewvraag meer dat weet ik zeker zo lukt het helemaal niet, dat heeft Johan ook gezegd, hij zei je moet het overzichtelijk houden je moet alle antwoorden opschrijven liever had ik een cassetterecorder gehad dan kon ik alles rustig uitwerken achteraf maar hij zei je moet een goede, heldere vraag stellen en er geen rommeltje van maken, rommeltjes brengen je nergens zei hij.

Goed, je hebt gelijk, natuurlijk, dus denk je nog terug naar huis te kunnen zo is het wel een duidelijke vraag toch?

Ja, zo houden we het helder, zo gaat het goed. Ik denk dat ik zeker, ik denk dat als ik de dokter kan uitleggen dat het goed met me gaat dat ik dan zeker weer terug kan gaan hij begrijpt het uiteindelijk wel hij is gewoon een beetje kortzichtig, is dat het juiste woord? Koppig, maar als hij naar me zou luisteren als hij zou lezen, meer boeken en mijn muren dan zou hij begrijpen dat het anders zit dat ik hem kan helpen dat dit allemaal op een misverstand be…

‘Meneer Verkruijk, heeft de dienstdoende verpleegster u niet al vier maal verteld dat we na tien uur stilte willen in deze vleugel? U weet toch dat u de andere patiënten wakker houdt wanneer u weer een nachtelijke monoloog begint? U moet rusten, meneer Verkruijk, hier, neemt u een slok water. Neem dat nu maar, dat is beter voor u. Goed slikken, het bruist een beetje in uw keel he? Gaat u nu maar rustig slapen, morgen wordt u overgeplaatst, nog een korte nacht te gaan, dat moet toch wel lukken, meneer Verkruijk?’

*M.

“Hoe kom je eigenlijk aan dat litteken daar?”

“Ah, dat is nogal een verhaal. Ik woonde nog thuis, bij mijn ouders. Op een middag parkeerde mijn vader de auto vlakbij een groepje hangjongeren in onze straat. Die hadden zin om problemen te veroorzaken ofzo. Twee van hen gingen op de motorkap van de auto zitten, de rest stond er wat omheen te lachen. Mijn pa vroeg ze eerst vriendelijk om dat te laten, maar ze bleven maar uitdagen. Toen verloor hij zijn geduld en schreeuwde dat die gasten maar ergens anders moesten gaan staan. Antilliaans temperament he… Ik zat binnen, maar herkende zijn stem, dus ik liep meteen naar het raam. Zie ik daar hoe die groep rondom mijn vader gaat staan en begint te duwen en te joelen. Ik naar buiten natuurlijk. Toen ik bij de deur aankwam zag ik hoe een van die jongens opeens een vlindermes trok! Dus ik storm erop af en spring ertussen in. Mijn pa en ik dus die gasten van ons afslaan natuurlijk. Ik kreeg een ram op mijn oog onder andere, mijn pa wat stompen in zijn maag, maar uiteindelijk, met veel geschreeuw van onze kant, konden we ze toch intimideren en dropen ze af. Heel gedoe, politie erbij, ziekenhuis. Nu ja, daarvan heb ik dat litteken dus overgehouden.”

We staren beide voor ons uit, onze ruggen tegen het hoofdeinde van het bed. ‘Wat heftig’, denk ik. Mijn flauwe gevoel voor humor komt om de hoek kijken, en in een poging de zwaarte van het onderwerp wat af te zwakken, grap ik “Aha. Maar eigenlijk, stiekem, ben je als kleuter gewoon van de wip gevallen in de speeltuin”, terwijl ik een stomme grijns opzet.

Zijn daverende lach klinkt door zijn slaapkamer. ‘Gelukkig,’ denk ik, ‘hij ziet de humor er wel van in.’ Tussen twee lachsalvo’s door bekent hij “Tegen de verwarming gekukeld thuis, toen ik een jaar of vier was. Maar dit verhaal klonk toch veel stoerder?”

Nu lig ik ook in een deuk. “Patser!” hik ik hem toe, terwijl we beiden nog harder moeten lachen.

Het is alweer jaren geleden dat we elkaar leerden kennen. We zijn een tijdje bedmaatjes geweest, ik gok een half jaar lang. Ik kwam net uit een lange, intensieve relatie en mijn hoofd stond niet naar nieuwe serieuze relaties. Ik had besloten dat ik niet verliefd op hem was, en daar bleef het bij. Toch konden wij het opmerkelijk goed vinden met elkaar. We konden goed met elkaar praten - zaten altijd op één lijn - en nog beter met elkaar lachen. Achteraf gezien denk ik ‘Had gewoon niet zo eigenwijs gedaan. Was het werkelijk zo erg geweest toe te geven dat we eigenlijk gewoon een relatie hadden?’ Ik hield mijn leven met hem gescheiden van mijn vriendenkring. Hij woonde in de nabijgelegen stad, dus dat ging makkelijk. Mijn vriendinnen zeiden jaren later wel ‘ja, dan gingen we uit, en dan stond je te bellen met iemand en na een half uur vertrok je stilletjes uit de kroeg en stapte je bij iemand in de auto, wij hadden geen idee wie het was!’  Maar als ze er al eens iets over vroegen, hield ik het vaag en wimpelde ik ze af.

Hij grapte wel eens dat hij me mee wilde nemen naar zijn ouders. Onze voorkomens verschilden nogal van elkaar. Hij, rechtenstudent, altijd sportief gekleed in de laatste rap- en sportmerken, zijn eigen flatje in een goede buitenwijk, autofreak. En dan ik, gitzwart haar, gezicht vol piercings en bijbehorende outfit, werkend in een kledingwinkel, terug op een  studentenkamer in die verpauperde stad, na jaren samengewoond te hebben. We verzonnen hoe zijn ouders zouden reageren op mijn voorkomen, lachten weg wat eigenlijk toch wel een stiekeme wens van hem was.

In de auto zette ik vorige week een cd op die ik al jaren niet meer had gehoord. Een cd uit mijn oude leven, min of meer. Bij het derde nummer hoorde ik in mijn hoofd opeens zijn stem. ‘Uhm, mag ik iets minder, uhm, depressieve muziek opzetten?’ Opeens lag ik weer in zijn bed, in zijn flat, in zijn stad. Zijn rapmuziek tegenover mijn alternatieve singer-songwriters. Ik had diezelfde cd meegenomen, maar wat thuis gevoelige nummers waren, leken die ochtend inderdaad vooral verdrietige klanken, volkomen misplaatst in zijn slaapkamer, waar we uitsluitend leuke dingen deden. Nu, een compleet leven verder voelt het wel, denk ik toch nog steeds met een glimlach terug aan ons ‘ding’ samen, toen.

Tegenwoordig hebben we beiden kriskras door het land gewoond, verschillende banen achter de rug, verschillende relaties achter de rug, verschillende levens achter de rug. Heel natuurlijk verwerd ons ‘ding’ langzaamaan een fijne vriendschap. Al die tijd zijn we vrienden gebleven. Online hielden we elkaar op de hoogte van ons wel en wee, af en toe belden we om troost te zoeken, te lachen of simpelweg om elkaars stem te horen - te verifiëren dat we nog waren wie we zijn. Zo nu en dan gingen we daadwerkelijk bij elkaar op bezoek. De laatste keer dat we elkaar gezien hebben, is voor mijn verhuizing geweest, in mijn vorige huis. Zeker een dik half jaar geleden dus, waarschijnlijk al bijna tegen een jaar aan.

Morgenavond is het mijn beurt om zijn nieuwe huis te bezoeken. Om weer eens echt bij te praten. Afgelopen jaar was voor ons allebei geen makkelijk jaar, zij het op heel verschillende vlakken, maar toch. Bijkletsen dus, en zonder twijfel bijlachen. De anekdote waarmee dit log begon, kwam ook opeens weer bovendrijven. De woorden zijn niet letterlijk, maar de strekking ben ik nooit vergeten. Mijn vriendschap met hem is altijd omhuld gebleven met een lach - hoe zwaar het onderwerp ook mag zijn, we weten elkaars lichtvoetigheid te vinden. En dat waardeer ik enorm.

Ik heb er zin in. :)

*Denkt u even mee?

Zo kwam ik dus gisteren niet alleen met een stapeltje ‘nieuwe’ boeken thuis, maar ook met een raadsel.

boeken.jpg

In de straten van Damme vond ik met enige regelmaat de volgende plakkaatjes. Eerst dacht ik dat er wellicht mee bedoeld werd dat dit een mooi punt was om een foto te maken, omdat het uitzicht de moeite waard zou zijn ofzo. Maar die ronde schijfjes waren op de meest oninteressante, nietszeggende plekken op de straat bevestigd, dus dat leek me sterk. Toen dacht ik dat het wellicht een wandelroute was. Maar ook hier was geen logica in te ontdekken: de ene keer zaten er twee van die dingetjes zo’n 3 meter van elkaar vandaan aan de straat bevestigd, de andere keer weer hele straten niets. Ook leek het me niet voor de hand liggend zo’n route met dit soort tekentjes aan te geven. Logischer zou zijn om een felgekleurd bordje aan een paaltje te bevestigen.

Nu is mijn vraag dus aan u: waarvoor dienen deze vreemde plakkaatjes? En wat in godesnaam moet het symbool erop voorstellen?

‘Ren hier schreeuwend weg van drie vierkantjes’?

Ik kom er niet uit hoor.

mysterie.jpg

*Van hot naar her, van de hak op de tak en van de regen in de drup - dat laatste alleen letterlijk hoop ik

En zo toog ik gisteren richting Zuidje Limburg, om een en ander - hopelijk - recht te zetten.

Eerste stop: mijn eigenste Ellen. Ik had haar afgelopen woensdag gebeld en ze stond open voor het verfraaien van mijn boktor, ze moest hem alleen eerst zien om een onderbouwd oordeel te kunnen geven. En zo geschiedde. Dinsdag 18 augustus gaat ze de lijnen en schaduw verdikken, perfectioneren en  afwerken. En daar ben ik ongelofelijk blij mee.

Tweede stop: samenloop van familiare omstandigheden - in de volksmond bekend onder ‘op naar mijn tante en oom om computerproblemen op te lossen nu ik toch in de buurt was’, gevolgd door een bezoekje om de hoek aan mijn opa en oma (zo dicht bij zijn en dan niet langsgaan, dat kan natuurlijk niet), alwaar per toeval ook net vandaag mijn tante Mia en bijbehorende oom zouden zijn. Met mijn moeder als gemene deler en bruggenslaander, zo’n heldin ben ik dan weer wel. Binnen een paar uur zes familieleden zien die je al jaren niet in levenden lijve hebt ontmoet, dat is geen sinecure. Het was gezellig. Het was vermoeiend. Het gaf honderden indrukken en gedachten en gevoelens. Het deed me wel goed, en hen ook. Wat een lieve, openminded en bij de pinken familie heb ik toch eigenlijk. En er gaat niets boven een verbroederend sigaretje roken met je tachtigjarige opa in de achtertuin.

En dan uitgeput naar huis rijden, de grens weer over. Mijn kattekopje weer kunnen aaien na een lange dag. Op de bank ploffen en een oprecht ontzettend leuke dvd kijken. Zo weer een beetje tot jezelf komen. Nog even een blik op je computer werpen om je feedreader bij te lezen, te checken of in je shop nog alles naar wens gaat en dan, ja dan, met een leeg hoofd je eigenste fijne bed in kruipen.

En dan vanaf zes uur in de ochtend af en aan wakker liggen door de jeukende tattoo (goed teken, hij heelt snel, maar erg irritant), een poezebeest dat jouw heup en schouder als springkussen gebruikt wegens overschot aan energie, een handvol gedachten die nodig een log behoeven - of op z’n minst een goed gesprek - en de regen die tegen het raam slaat alsof ze naast je in bed wil liggen.

Goedemorgen zondag. Mijn lijf en hoofd willen er even uit. En zo steek ik mijn eeuwige sigaretten, mijn telefoon en mijn portemonnee in mijn schoudertasje en spring ik in de auto, op weg naar het overbekende Damme - boekenstad naar verluid. Om aldaar mijzelf voor een aantal uren te gaan verliezen in titels, omslagen en kaftteksten. (Als de regen het enigszins toelaat.)

Huphup, schoenen aan en gaan nu!

*Daar issie dan

Taadaa.

Hij staat erop. Het was priegelwerk, maar het is gelukt! Nu mag hij een aantal weken helen, en daarna zal ik teruggaan voor eventuele bijwerking, als hier en daar het pigment niet helemaal goed gepakt heeft.

boktorinaanmaak.jpg

Ik heb zojuist op mijn gemakje naar het resultaat kunnen kijken, maar moet toch toegeven dat ik niet helemaal tevreden ben. Mijn andere twee tattoo’s bestaan uit strakke lijnen, die met een ongelofelijk vaste hand gezet zijn. Deze nieuwe aanwinst is door een ander persoon gezet dan de eerste twee, en ik vrees dat ik van mening ben dat het strakker had gekund. Het is ontzettend moeilijk om op zo’n kleine schaal zoveel minilijntjes en krulletjes te zetten, dat geef ik toe, maar toch vind ik dat hij hier en daar wat te nonchalant te werk is gegaan. Ook heb ik zojuist opgemerkt dat hij bij de twee voorpoten de schaduw is vergeten in te kleuren: er staan twee vage lijntjes terwijl de rest van de schaduw wel mooi ingevuld en egaal is. Dat laatste is niet zo’n probleem, dat kan makkelijk bijgewerkt worden.

Al met al: van een afstandje vind ik hem super, en helemaal zoals ik gehoopt had. Alleen in close-up mag er nog wel een hoop aan gebeuren. Het is altijd een soort overgave, de ander vertrouwen dat hij precies kan natekenen waarmee jij de zaak in wandelt. De originele tekening was met ietsje dikkere lijnen gemaakt, misschien dat dat ook een verschil geeft. Maar ik denk dat ik voor eventuele verdere tatoeages toch echt terug zal gaan naar mijn eigenste Ellen, in het puntje van Nederlands Zuid-Limburg. Zo’n vaste hand en scherp oog als zij heeft, blijkt toch niet aan iedereen toebedeeld te zijn. Of misschien moet ik eens naar broers vaste tattoo-man gaan: Jelle, de tattoo’s van broer zijn ook ongelofelijk strak en perfect. Voor nu ga ik gewoon van een afstandje genieten van mijn boktor in ieder geval, en eens rondbellen om uit te zoeken of er iemand is die dit design kan perfectioneren zodat ik er oprecht blij mee kan zijn - hij zit er ten slotte de rest van mijn leven.

boktorbijnaaf.jpg

Voor de geïnteresseerden:

De boktorren (Cerambycidae) zijn een familie uit de orde kevers. Boktorren hebben als volwassen kever een langwerpig lichaam en sprieterige poten. Wat ze vrijwel altijd onderscheidt van andere langwerpige kevers zijn de extreem lange tasters, die vaak minstens zo lang zijn als het lichaam maar meestal langer, hoewel er uitzonderingen zijn. Er zijn meer dan 20.000 soorten boktorren, die een grote variatie kennen aan kleuren en patronen, de basisvorm is meestal wel hetzelfde.

De larven van vrijwel alle soorten leven van planten en met name in al dan niet dood hout, en richten soms grote schade aan.

De meeste boktorren eten als kever alleen nectar en stuifmeel, geen enkele soort jaagt actief op andere prooien. Sommige soorten eten zelfs helemaal niets meer en richten zich volledig op de voortplanting.

(via)

De volwassen boktor krijgt men slechts zelden te zien. Ze komen op zolders in de warmste periode van de zomer te voorschijn, paren en leggen hun eieren. De boktor heeft een temperatuur van minstens 25°C nodig om actief te worden.

Hoe lang de ontwikkeling van de larven zal duren en hoe groot ze zullen worden, hangt o.m. af van de hoeveelheid voedsel die het hout bevat en van de temperatuur. De kortste periode hier te lande is drie jaar, maar boktorlarven kunnen ook tien jaar nodig hebben om volwassen te worden. De larven leven hoofdzakelijk in het spinthout; ze knagen vaak tot ze dicht onder de oppervlakte zijn gekomen en er slechts een papierdun laagje hout tussen hen en de buitenwereld over is. Als de larven op een goede dag volgroeid zijn, verpoppen ze zich. Dat gebeurt in een speciale verpoppingsgang, die met grove spaantjes is afgesloten. Voor ze in een pop veranderen, knagen ze de uitvliegopening al geheel of ten dele open, waardoor ze later als kever het hout kunnen verlaten. Het uitvlieggat, het boorpoeder en de houtspaantjes zijn gewoonlijk het eerste zichtbare teken van de aantasting van het hout door boktorren, en er kan dus meer dan tien jaar zijn verlopen sinds het hout werd geïnfecteerd.

(via)

*Van die dingen

Twee-en-een-halve-maand moest ik wachten dat zijn ruim tien weken dat zijn ongeveer tachtig dagen en al die tijd had ik alle geduld van de wereld geen probleem komt helemaal goed maar toen was het eindelijk de zondag voor de dinsdag dat het gaat gebeuren en opeens boem paf slaat de ongeduldigheid toe in alle hevigheid en voel ik me als een klein meisje dat wakker wordt op haar negende verjaardag en in bed ligt en de minuten aftelt voor haar mama en broer binnen komen gewandeld met ontbijt op bed en langzalzeleven liedjes en dan ja dan ben je pas echt jarig maar nu heb ik het al dagen van tevoren en lig ik in bed en weet ik dat er niemand met ontbijt op bed gaat komen en weet ik dat ik nog een paar dagen geduld moet hebben maar ik wil niet meer wachten en tegelijkertijd ben ik bang dat het op het laatste moment toch niet door zal gaan doordat die kerel mijn originele design nog wat moet aanpassen en stel je nu eens voor dat ik dan denk ja hallo dacht het niet daar ga ik niet mee rondlopen ik wil meer detail het is niet goed genoeg of iets dergelijks ach waarschijnlijk gaat het allemaal wel goedkomen en zal mijn derde tattoo morgen rond een uur of vier eindelijk een feit zijn jeej!

thirdcuff01.jpg thirdcuff05.jpg

Ohja, en dan heb je nog dit: al vanaf januari heb je een of andere rok in huis liggen die je aangepast hebt waardoor je nog wat stroken stof over had die maandenlang in de kast lagen, waarmee je uiteindelijk op een doordeweekse dag vol inspiratie voor je online winkel een abstracte, scruffy stoffen armband hebt gemaakt. Die armband zit dan zo’n week of twee, drie in je shop mooi te zijn en dan komt er iemand die hem koopt, altijd leuk. Maar de betaling is nog niet binnen dus dan ga je even mailen en dan hoor je niks dus laat je het maar even rusten. En ondertussen heb je eindelijk, na ruim een half jaar uitstellen, je kleerkast uitgemest en alle oude kleren op een hoop gesmeten en twee stapels gemaakt. De ‘dit kun je niet meer dragen dus hier ga ik nog wat mee doen’ stapel en de ‘dit mag naar de tweedehands winkel’ stapel. En die laatste stapel ligt dan een week wat te liggen op je badkamer tot je uiteindelijk denkt: vooruit, hup, gooi die kleding nu eindelijk eens in de daarvoor bestemde container op het marktplein hier om de hoek. Zo gezegd, zo gedaan en wanneer je dan weer thuis zit slaat het noodlot natuurlijk toe: een uurtje later krijg je een mailtje terug van je koper met de vraag of zij misschien twee van die armbanden kan krijgen zodat zij ze als een soort armwarmers kan dragen. Leuk, prima, je duikt in je stoffenkast en zoekt alle stoffen waarmee je het eerste exemplaar gemaakt hebt maar helaas is die ene knalrode superzachte stof er niet meer. Dus baal je even. Maar dan bedenk je je: hee! Dat is die stof van die rok! En die rok, die hoef ik niet meer, dus die ligt op de stapel ‘dit mag naar de tweedehands winkel’ dus geen probleem! Maar dan zak je als een pudding in elkaar en sla je jezelf vierkant voor je eigenwijze hoofd dat je uitgerekend vandaag die stapel in de container hebt gedumpt. En dan vraag je je af waarom je niet zo snugger was om die rok eruit te vissen omdat het tenslotte diezelfde stof was waarmee je die armband gemaakt hebt en je normaal toch best wat vooruitziendheid in je hebt maar nee, vandaag niet. En dan rest je niets dan accepteren dat je die armband nooit meer zal kunnen bijmaken. En ga je maar weer verder met ongeduldig zijn voor je tattoo-afspraak morgenmiddag om drie uur.

Update: En toen vond ik daarnet toch nog een lapje van die rode stof! Hahaha, en zo heeft dit avontuur weer een happy end.

*Het moest toch ooit gebeuren

Ik ben dus zo iemand die het allemaal wel zelf doet. Homemade and handmade hebben vaak mijn voorkeur. (Tenzij het op koken aankomt, maar dat is een verhaal apart…) Maar dus. Zo ben ik ook wat mijn haren betreft. Al ruim tien jaar verf ik mijn haren zelf. Vooruit, soms liet ik het een vriend of vriendin of broer doen, maar ik bedoel dat ik daarvoor nooit naar de kapper ging. Al was het maar omdat ik het met henna zwart verfde, en kappers daar niet aan doen.

Ook het knippen was een thuis-taak. Als kind hadden we wel een kapster aan huis, maar de laatste vijftien jaar deed ik het gewoon zelf. Dat ging niet zo makkelijk, ik wil namelijk altijd graag laagjes, en dat knipt wat lastig als je het zelf doet. Dus liet ik soms wel anderen aan mijn haar toe, maar niet zonder uitdrukkelijke instructies. Zo’n vier of vijf jaar geleden heb ik mijn haar eens drastisch proberen ontkleuren. Dat resulteerde in knaloranje haar en afgebroken strengen. Geen succes dus. Ik geloof dat ik een week later alweer de zwarte henna erin gekieperd heb. Wat was mijn haar kapot zeg, hele lagen waren afgebroken en wat er nog aan hing was droog als stro en op iedere milimeter gespleten. Ik herinner me nog dat ik aan broerlief vroeg of hij mijn punten wilde bijknippen. Door een of andere vage, nooit opgehelderde miscommunicatie knipte hij de helft van wat nog van mijn haar over was, er radicaal af. Dat is de laatste keer dat ik naar de kapper ben geweest. Aldaar hebben ze in het weinige haar dat ik nog had, een flauwe poging tot laagjes gedaan (en me een uitbrander gegeven over de staat van mijn lokken).

Vorig jaar ben ik weer begonnen met ontkleuren, omdat het zwart zo radicaal was. Ditmaal voorzichtig, in stappen, steeds een beetje lichter. Dat ging gelukkig redelijk goed, al had mijn haar er evengoed flink onder te lijden. Uiteindelijk was het een soort roodbruine mix vol split. Beter dan ravenzwart, maar ik was het eeuwige bijverven om de twee weken erg moe geworden, dus ik besloot ze een tijdje te laten uitgroeien en er af en toe wat rode henna overheen te dumpen. Dat brengt ons op mijn huidige kapsel: weer redelijk lang haar, maar in alle rood/bruin/blond tinten die er maar bestaan, en dat allemaal op èèn hoofd. Van bovenaf tot een centimeter of vijf onder mijn oor overheerst de blonde kleur. Verder naar beneden is het opeens roodbruin. Een korte impressie, meer recente foto’s kon ik niet vinden:

DoodEnVerderf

De laatste tijd ergerde ik me daar mateloos aan, het ziet er zo onverzorgd uit, mede doordat mijn haar ook zo dood was. Toch ben ik ook erg aan mijn lange haar gehecht, ik vind het gewoon mooier dan een korte coupe. Het enige dat ik dus dag in, dag uit deed, was een halve staart maken, zodat van voren in ieder geval dat kleurverschil niet zo opviel. Zelfbedrog heet dat, geloof ik.

Goed, u snapt het natuurlijk allang: ik ben vanochtend naar de kapper geweest.

Ik had van tevoren goed rondgeneusd op internet - krullend haar is namelijk moeilijk in model te knippen. Veel kapsels zijn onmogelijk, maar gelukkig kun je nog wel het een en ander doen. Dat ik flinke lagen wilde, stond al vast. Alleen wist ik niet zo goed of ik nu wel of niet een pony wilde. Niet echt zo’n rechttoe rechtaan ding, dat werkt niet bij krullen, maar zo’n gelaagde scheve snit, daar kon ik nog wel wat voor voelen.

Op internet stond overal te lezen dat je naar iemand moet gaan die ervaring heeft met krullend haar, anders knippen ze het al snel veel te kort, of loop je naar buiten met een onmogelijk kapsel en moet je je haren iedere ochtend zo sluik mogelijk maken met een stijltang. Niks voor mij, ik houd van mijn krullen, en mijn vrije tijd. Ook wilde ik graag een beetje een hippe kapper. Iemand die alleen maar oma’s kapt, dat zag ik niet zitten. Ik ben absoluut geen expert op kapsalon gebied, en kon met moeite (en googlen) wat namen bovenhalen van moderne ketens. En wat bleek? Eentje ligt zowaar een straat of drie van mij vandaan!

Ik trok mijn stoute schoenen aan en vertrok. Op de hoek net voor mijn bestemming liep ik langs een andere modern ogende kapsalon. Ik wierp een blik naar binnen, er stonden twee dames, die er allebei redelijk naturel en nonchalant uitzagen. (Ik heb het niet zo op gladgestreken en overgestylde personen die mijn haar moeten knippen.) Hm, zou ik? Nee, dacht ik, ik zou naar die andere zaak gaan. Ik liep dus door. Bij de volgende hoek aangekomen kon ik recht mijn uitverkoren kapsalon inkijken. Er zaten wat mensen te wachten vooraan. En oh, ze hebben een mannelijke kapper rondlopen daar. Terwijl ik de zaak naderde tuurde ik flink naar binnen. De conclusie: er liepen vier (!) kappende jongemannen rond, allemaal in pak, piepkorte haren en plakvol gel. En voor de spiegels telde ik een puber en een oma.  Meh. In plaats van binnen te stappen, draaide ik me om.

Terug naar die vorige kapsalon dus! Daar was het lekker rustig, achterin werd een vrouw in de verf gezet, en om de hoek hing er eentje boven de wasbakken. Een van de twee kapsters kwam naar de toonbank en ik stamelde mijn vragen (Niet te kort! Wel een kapsel!) en probeerde uit te vogelen of ze me snapte. Het volgende moment lag ik ook boven zo’n wasbak. En kreeg ik een ‘zwaar’ masker voor mijn haren. Wassen, spulletje erin, intrekken, spulletje eruit en iets anders erin, intrekken, spulletje eruit en iets anders erin en een hete, stomende handdoek om mijn haar, spulletje eruit en toen was het zover. Ze had met haar vingers aangegeven dat ze er niet teveel af zou knippen, wel een hoop lagen zou maken en vooraan een beetje schuin en een beetje korter. Toen ze klaar was, zag mijn haar er niet alleen gezond uit, maar ook nog leuk!

En toen gingen ze het nog even föhnen, en er wat spul insmeren.

Ik liep de zaak uit met iets dat het midden hield tussen de volgende beelden:

ZoietsDergelijks

En ik overdrijf dus echt niet. Ik was ontploft. Ik voelde me jaren tachtig. En het ergste van alles: ik moest nog even naar de drogist voor scheermesjes. En lieve mensen, ik overdrijf nu echt niet, en ik beeld me niks in. De helft van de tegenliggende mensen keek me verschrikt aan. De andere helft zwaar gefascineerd, zoals je naar een platgereden haas met de nodige blootliggende ingewanden langs de weg kunt kijken. Verwoed probeerde ik het haar dat zo goed als rechtop op mijn hoofd stond plat te kammen door er met mijn vingers doorheen te gaan. Zodra ik het einde van mijn lokken bereikte, sprong de hele boel weer vrolijk omhoog. Ik ben nog nooit zo snel Kruidvat in en uit geweest, en ik was blij toen ik mijn voordeur achter me sloot.

Na het nodige water en het werk van mijn vingers herkende ik mezelf weer in de spiegel. En ik moet toegeven: dat masker heeft flink geholpen. En mijn haar is best leuk geknipt. En het ziet er allemaal goed verzorgd en bij de tijd uit. Dus eigenlijk ben ik gewoon tevreden! Ik moet wel altijd wennen aan korter haar, ook wanneer ik het zelf bijknip heb ik altijd een paar dagen nodig om aan mijn nieuwe gezicht te wennen. Ook vind ik mezelf er wat jonger uitzien nu, ik heb nu eenmaal een muizengezichtje, maar ik heb besloten me daar niet te druk over te maken. Ik denk, heel voorzichtig, dat ik er gewoon wel blij mee mag zijn. Een hoop dood stro is eruit geknipt, er zit weer model in waardoor mijn krullen alleen maar mooier uitkomen, en het extreme kleurverschil is een beetje minder opvallend nu. Taadaa.

ZoIsHetNu

*Liefdevol

Hier in België zie je dat vaak: vrachtwagens die ‘toevallig’ bovenop een brug over een snelweg staan geparkeerd, en volgeplakt zijn met reclame. Zo ook nu. Deze was uitzonderlijk. Geen verwijzing naar een winkel die twee straten verderop ligt, geen bouwbedrijf, geen verkiezingspamfletten. Dit was er eentje die reclame maakte voor een bedrijf dat foto’s op canvas print. Op zich niet bijzonder, maar de woordkeuze was zo slecht, dat ik hem logwaardig vind:

Uw liefdevolle foto op canvas‘ en nog wat blabla erachter aan.

Hoe kan een foto liefdevol zijn? Hoe kan een object liefdevol zijn?

Geliefde was beter geweest. Of favoriete. Of desnoods mooiste.

Maar misschien ligt het wel aan mij, misschien houden foto’s er wel een heel liefdesleven op na waar ik geen weet van heb. Dat ze een affaire beginnen met de koffietafel. Dat ze smelten voor dat plastic-hokjes-ophang-ding. Dat het foto-album hun hartsvriend is, en dat kekke ijzeren standaardje tijdens wilde nachten het beste in ze bovenbrengt.

*5 dubieuze dingen in mijn huis

Deze set glazen:

mysterieuze_glazen.jpg

Al ruim een half jaar stond driekwart van de keukenspullen in de kelder opgeborgen in dozen, wegens gebrek aan keuken. Toen die keuken er eindelijk was, kon ik alles gaan uitpakken. Af en toe kwam ik wel een ik-was-vergeten-dat-ik-dit-had object tegen, wat leuke verrassingen opleverde. Maar bij het uitpakken van deze glazen was het toch een ander verhaal. Ik kan me werkelijk, totaal, absoluut niet herinneren dat ik deze glazen ooit gekocht of gekregen heb. Gewoon niet. Ik had ze zelfs nog nooit gezien. En toch zaten ze netjes in keukenrol verpakt stuk voor stuk in mijn verhuisdoos. Onbegrijpelijk.

Dit doosje met discutabele thee:

overbodige_thee.jpg

Ik ben een thee-liefhebber. Wanneer ik langs een smaakje kom dat ik nog niet geproeft heb, moet ik het altijd meenemen. Zo kwam ook dit doosje in mijn huis terecht. Jasmijn, een heerlijke zachte geur. Ik heb er ook wierook van gehad, en zelfs parfum denk ik. Ook drink ik graag White-tea, gemaakt van bloesems en dus heel licht van smaak. Ik had verwacht dat deze Jasmijnthee ongeveer te vergelijken zou zijn met de White-tea, misschien een tikje bloemiger, zoeter. Maar wat blijkt? Deze thee smaakt nergens naar. En dan bedoel ik niet dat hij vies is, nee, ik bedoel letterlijk dat hij geen smaak heeft. Geen enkel vleugje, gewoon totaal niet. Ik heb een van de zakjes een tijdje laten trekken in mijn kopje. Het water verkleurde amper, maar dat is ook zo bij de White-tea. Uiteindelijk nam ik een gretige slok, vol verwachting en met mijn smaakpapillen op scherp. Niets. He-le-maal niets. Ik heb gewoon een kop heet water gedronken. Waarom staat dit doosje dan nog steeds in mijn huis, vraagt u zich dan af. Goed punt. Ik denk dat ik het gewoon moeilijk vind om zo’n verse, amper aangeraakte doos vol theezakjes weg te moeten gooien. Misschien komt er een dag dat ik smacht naar een heerlijk kopje heet water? Dan kan ik zo’n zakje erin hangen en doen alsof? Misschien dat ik het niet weggooi zodat ik vervelend bezoek deze nep-thee kan aanbieden, stiekem gniffelend wanneer ze een slok nemen?

Mijn geliefde plastic kakkerlak:

kakkerlakje.jpg

Ik heb dit gedrochtje al jaren. In het vorige huis hing hij altijd aan een van de spotjes boven het aanrecht, klaar om de nodige verwarring te veroorzaken. Ja, triest maar waar: dat is mijn soort humor wel. Ik heb sowieso iets met insecten en aanverwante verschoppelingen, dus dit beestje had direct een plekje in mijn hart. En het aantal mensen dat een vies gezicht trok of schrok of terugdeinsde wanneer ze kennis met hem maakten, kon mij zeer bekoren. Maar toen we het huis gingen verkopen, en er dus geregeld vreemde personen binnen kwamen om ons huis op thuiswaardigheid te inspecteren, leek het me een wijs idee mijn beestje voorlopig maar op te bergen. Zo gezegd, zo gedaan. Nu woon ik dus al ruim een half jaar in mijn nieuwe huis, en toch heb ik mijn kleine vriendje nooit een plekje gegeven in al die maanden. Ik denk dat ik de reden daarachter wel weet. Het beestje steekt zo lekker af tegen een net en opgeruimd huis. Maar dit huis was maandenlang een bouwput, vol rommel en dozen en gereedschap en puin en van hot naar her schuivende meubels. Het dingetje zou gewoon niet toch zijn recht zijn gekomen, naar mijn bescheiden mening. Het goede nieuws: nu ik hem zojuist uit zijn doosje heb gehaald om zijn knappe verschijning op de gevoelige plaat vast te leggen, heb ik hem daarna ook maar meteen een vers, fris, schoon, nieuw plekje gegeven in een hoekje van de blinkend nieuwe keuken. Zijn glorie is dus bij deze in ere hersteld!

Dit irritante zakje:

eng_ding.jpg

Jazeker, dit ding is de enige echte gum ‘N asbag. Wat een pakkende naam he? Een mengeling tussen Nederlands en Engels, vermoedelijk om hip te lijken. Hoe dan ook: dit ding heeft lief ooit gevonden op een website waar het gratis te bestellen was. Hij vindt het maar niets wanneer ik mijn peuken zomaar op straat gooi. Het ding ligt nu al zo’n jaar in een lade te verstoffen. In principe ben ik de beroerdste niet hoor, wanneer ik een dagje naar het strand of het park ga, neem ik vaak de portable asbak uit de auto mee, om de natuur sigarettenpeukvrij te houden. Maar dit dingetje, deze gum ‘N asbag, is eng. En een onding. Het is een soort buideltje, gevoerd met iets dat nog het meest op stevige aluminiumfolie lijkt. Achterin zit nog een klein vakje waar wat flinterdunne papiertjes inzitten, om je kauwgom in te wikkelen alvorens hem in dit zakje te deponeren. Onder het flapje staat een gebruiksaanwijzing. Je moet je peuk erin doen, en vooral niet wrijven of drukken. Binnen 20 seconden dooft het ding vanzelf. (Wordt er nu van mij verwacht dat ik een brandende sigaret in dat buideltje stop en deze dan doodleuk in mijn achterzak steek ofzo? Ben ik de enige die dan om de zoveel seconden zou checken of ik nog niet in brand sta?) Leuk bedacht, maar helaas niet erg praktisch. De binnenruimte is met moeite drie vingers te noemen, en dan nog maar een paar centimeters hoog. En vooral: erg strak. Het is mogelijk om er 1 peuk in te dumpen, wellicht 2 als je goed je best doet. Maar je moet wel wringen om het ding erin te krijgen. Zoals op de foto te zien is, is het een plat zakje, dus het vouwt niet echt open. Niet wrijven en drukken is dus zo goed als onmogelijk. En na twee uur past er al geen sigaret meer bij, dus echt een dagje zijn nut bewijzen zit er niet in. En dan deze woorden: ‘herbruikbaar (afwasbaar).’ Dus ik moet die twee peuken er uiteindelijk uit peuteren, het zakje op een of andere manier onder de kraan zien te houden en het proberen af te spoelen terwijl het amper open gaat. Laat staan dat een spons of een borstel erin zou passen. Sorry, maar geef mij dan maar gewoon een normale asbak met een deksel, die makkelijk te legen is en nog makkelijker te poetsen. Recentelijk zijn een aantal gemeenten hier in de buurt begonnen met het uitdelen van draagbare asbakjes. Inclusief deksel of sleuf, en nog mooi om te zien ook! Misschien dat ik daar wel mee uit de voeten zal kunnen.

Deze fantastisch belachelijke advertentie:

sex_advertentie.jpg

Deze kwam achter het behang vandaan. Uit een hele oude krant. Ik kan het dingetje simpelweg niet weggooien, omdat de kans erin zit dat ik een van de allereerste seksadvertenties in een krant in mijn huis heb liggen. De tekst is zo fout en tegelijkertijd zo geweldig dubbelzinnig en toch vaag, dat het gewoon te mooi is om er afscheid van te nemen, maar er een praktisch nut voor verzinnen lukt me niet. Het antieke ding inlijsten slaat nergens op natuurlijk, maar toch mag het op een of andere manier niet ongebruikt blijven. Ik deel het dan maar integraal met jullie, mijn lezers!

‘Voor u mevrouw,

Verdien minstens 6000 fr. per maand.

Wij zoeken voor onze propagandadienst (afleggen van huisbezoeken)

2 vriendelijke dames of juffrouwen

minstens 18 jaar oud

Interessante voorwaarden (fixe + kommissie)

Bediendenkontrakt
Vijfdagenweek
Terugbetaling onkosten.
Verplaatsing met wagen van de firma.

Nieuwelingen worden opgeleid.

Schrijven naar S.E.X. bureel blad.’

*Overpeinzingen van een dolende dwaas

Het dilemma van de week: welk van de volgende overwegingen legt het meeste gewicht in de schaal?

Laat ik even bij het begin beginnen. Sinds een maandje of wat ben ik aan het vrijwilligen. Omdat ik het eindelijk weer leuk vind om ‘iets zinnigs’ te doen. Om onder de mensen te zijn. Omdat er eindelijk weer een heel klein beetje ruimte in mijzelf is, om de buitenwereld toe te laten. Rond Pasen had ik even een overdosis vrijwilligerswerk genomen, en stak de stress de kop weer op. Ik heb me er doorheen geslagen, maar door er ineens heel veel te zijn, merkte ik wel het een en ander op.

Het is een beetje eentonig. Voorheen ben ik buddy geweest, ook vrijwillig, voor mensen met terminale of chronische ziekten. Dat gaf me veel meer voldoening, en uitdaging. En als ik eerlijk ben, had ik ook het gevoel dat ik daar meer ertoe deed dan bij dit werk. Niet in de zin van belangrijk willen zijn, wel in de zin van iets voor iemand kunnen betekenen. Dit werk bestaat uit administratieve taken op vrijdagen, en de andere dagen dat ik aanwezig ben, sta ik achter een tafel cursisten te verwelkomen, in te schrijven, eventuele geldzaken te regelen. Daarna sta ik broodjes te smeren, koffie en thee te zetten. Misschien is eentonig niet het woord, iedere dag verloopt anders en er zijn, vooral op vrijdagen, nog genoeg dingen die ik uit kan diepen. En toch raakt het me niet.

Het is een beetje te ver van mijn bed. Ik heb het hele gamma aan cursussen dat aangeboden wordt, doorgenomen. Maar ik kan eigenlijk geen enkele cursus aanwijzen die ik graag zou doen. Per gewerkt uur krijg je een vergoeding in de vorm van tegoed voor een cursus naar keuze. Ik spaar dus voor cursussen die ik eigenlijk niet wil doen. Ik kan wel iets verzinnen hoor. Zo van ‘ach, als ik dan iets moet kiezen, doe dan die rugmassage cursus maar’. Maar als ik heel eerlijk ben, besteed ik mijn vrije tijd momenteel veel liever aan andere zaken. Vrienden opzoeken. Buiten van de zon genieten. Nieuwe creaties voor mijn Etsy-shop maken. Mijn huis verder aanpassen tot het helemaal naar mijn smaak is. Als ik echt eerlijk ben: ik ben nog blijer wanneer ik mijn huis een erg nodige grote schoonmaakbeurt heb gegeven dan wanneer ik zo’n cursus heb gevolgd… Zo liggen de verhoudingen dus. Ook merk ik dat de meeste mensen met wie ik tot nu toe gewerkt heb, niet echt my cup of tea zijn. Niks mis mee hoor. Maar er is gewoon geen klik.

Natuurlijk gaat het me niet echt om wat ik ermee ‘verdien’. Het probleem is alleen dat ik zelf dus eigenlijk niet zo wild ben van de cursussen die deze instelling aanbiedt, en dat maakt het best moeilijk om gemotiveerd en opgewekt te blijven. Alle mensen met wie ik een gesprek voer, zowel de medewerkers als de cursisten, zijn wel enthousiast over het aanbod. En dat voelt een beetje geniepig van mijn kant. Ik knik maar wat en veins interesse, maar mijn hart zit er niet in.

Maar! Alles heeft meerdere kanten, zo ook deze zaak.

Ik kom weer onder de mensen. Iets dat lange tijd onmogelijk is geweest voor me. Het levert nog steeds wel wat spanningen en stress op, maar ik heb wel het idee dat het goed voor me is. Sociaal zijn. Contact leggen. Oppervlakkig, dat wel, want het blijken dus niet echt ‘mijn soort mensen’ te zijn, een kleine misvatting van mijn kant. Maar toch: ik ben er, ik doe het, en het is best leuk om weer eens ’s ochtends kleren uit te zoeken die je aan gaat doen vandaag, wetende dat je omringd zal zijn door medemensen in plaats van alleen de kat en je spiegelbeeld.

Ik maak me weer nuttig. Dat is goed voor je zelfbeeld, iets bijdragen aan de samenleving. Ook heb ik ’s avonds weer eens iets buiten mezelf te vertellen, een anecdote, een  gebeurtenis, verse indrukken. Ik voel me een tikkie minder nutteloos, al had ik gehoopt dat dat gevoel wat sterker zou zijn - maar aangezien ikzelf het niet zo hoog op heb van mijn werkzaamheden, valt dat een beetje tegen. Toch doet het me wel goed. De kleine dingen zijn vaak het leukst. Ik kijk teksten na op stijl- en spelfouten, verzin mooie zinnen. Ik mag het internet afstruinen op zoek naar plekken waar de cursussen geadverteerd kunnen worden. Ook fietst het heel anders wanneer je op weg bent naar de sleutelmaker om 20 sleutels na te laten maken, of 200 postzegels te kopen bij het postkantoor. De lesgevers of cursisten nodige informatie kunnen verstrekken, mee bepalen welke koers er wordt gevaren, kleine computerproblemen oplossen, ingewikkelde financiële constructies ontrafelen. Helaas zijn dat maar details van mijn werkzaamheden.

Ik heb weer vaste tijden waaraan ik me moet houden. Een beetje gestructureerde weekindeling. Vaste tijden waarop ik aanwezig moet zijn. Hoewel ik daar nog het meest tegenaan lijk te schoppen innerlijk, denk ik toch dat het me ook goed doet. Ook wanneer ik een ’slechte dag’ heb, moet ik de deur uit. En achteraf, als blijkt dat ik het toch weer overleefd heb, voel ik me weer een stukje capabeler.

En nu zit ik dus in een soort niemandsland. Ik wil niet stoppen, omdat ik dan, naar mijn bescheiden mening, toch het een en ander verlies. Maar echt vol overgave doorgaan, dat zit er gewoon niet in. Ik kan me moeilijk verheugen op de dagen dat ik er naartoe ga.

De ideale oplossing heb ik al gevonden: ik ga in een bibliotheek vrijwilligen, of gewoon weer buddy zijn. Helaas gaat die vlieger niet op. Al het vrijwilligerswerk hier in deze stad bestaat uit oude mensjes met onverstaanbare dialecten naar het park rijden, spelletjesmiddagen verzinnen voor kinderen of vergelijkbare dingen. Heel misschien kan ik in een cultureel centrum nog iets vinden dat enerzijds leuk is naar mijn mening en anderszijds niet over mijn grenzen gaat van wat ik aankan aan sociaal-zijn per week. Misschien dat de bieb wel aan stiekem vrijwilligerswerk doet, dat nergens geregistreerd staat maar toch bestaat.

Ach, misschien zijn er best wel andere mogelijkheden. Maar dit vrijwilligerswerk viel min of meer in mijn schoot. Geen stress, geen nachten en dagen uur na uur piekeren en angstig zijn omdat ik iets moet doen dat eigenlijk nog buiten mijn kunnen ligt: erop uit trekken om een leuke dagbesteding te vinden. Het onbekende tegemoet, en maar zien waar het strandt. Dat lukt me gewoon nog niet.

Ook moet ik mezelf misschien eens goed onder de loep nemen. Wil ik eigenlijk wel vrijwilligerswerk doen? Of doe ik het omdat ik denk dat het moet? Dat ik aan de wereld moet laten zien dat ik nog recht heb om te bestaan? Dat online spullen verkopen niet ‘echt’ is, en een middag op het secretariaat zitten wel? Officieel een baan zoeken zit er voorlopig echt nog niet in, dat trek ik op geen enkele manier. Is dit dan mijn manier van de middenweg zoeken? Het buddywerk ben ik toentertijd vol overgave aangegaan, mijn hele hart lag erin en ik heb geen moment getwijfeld. Maar dit voelt anders, heel anders. Kan het zijn dat ik om externe redenen hieraan begonnen ben? De uren wanneer ik achter mijn naaimachine zit te naaien, of op het net mijn shopje promoot, zijn altijd uren waarin ik me heerlijk voel. Zelfs wanneer ik stompzinnig de keukenvloer gedweild heb, voel ik iets dat ik nu niet voel: voldoening. En dat abstracte ding dat we ‘geluk’ noemen. Of zit het toch anders? Doet het me eigenlijk heel veel goeds, alleen is het niet het juiste werk? Zou ik bij ander vrijwilligerswerk misschien wel dat voldane gevoel hebben? En zou ik, wanneer ik ermee zou stoppen, spijt krijgen en een hoop missen?

Ik weet dat ik in een luxe positie zit, dat er vele anderen zijn die een rotbaan moeten aannemen om maar rond te komen. Been there, done that, dus ik ben me echt wel bewust van mijn situatie. Toch betekent dat niet dat ik daarom niet mag nadenken over mijn leven nu, en hoe ik er nu in sta, en hoe het nu voelt. En wat er nu mogelijk is. En wat er nu nodig is. En vooral: wat nu goed voor me is. Voor geen goud wil ik terugvallen in dat zwarte gat vol onmogelijkheden, angsten en uitzichtloosheid. Ik kan eindelijk weer genieten. Nu alleen nog de juiste mix vinden tussen vooruitgang, blijheid en het leven van alledag.

*Tante Mia

Ze was zelfingenomen. Ze overheerste haar man. Ze wist het altijd beter. Ze had overal een mening over, en die mening was uiteraard de enige juiste. Ze pochte over haar sociale geliefdheid. Ze wilde graag een klasse hoger leven dan de rest. Haar regels moesten altijd gevolgd worden. Ze dacht dat ze mensen kon kopen. Ze dacht dat ze mensen moest kopen.

En tegelijkertijd was ze een warmbloedige vrouw, met het hart op de juiste plek. Ze zorgde graag en goed. Ze hield werkelijk van de mensen om haar heen. Ze wilde ze graag een - in haar ogen - ideaal leven bieden. Ze kon mooi zingen, in de ochtenden, of terwijl ze ons in bad deed, of tijdens het aardappelen schillen. Ze kon oneindig goed koken en bakken. Rabarbertaart, ik ben er nog steeds gek op. Reerug, fazant, bij haar heb ik dingen gegeten die ik daarvoor zelfs nog nooit gezien had.

Mijn herinneringen aan haar zijn zo dubbel. Ze is de zus van mijn oma, mijn oudtante dus. Toch was ze altijd gewoon tante. En hij gewoon oom. Beiden wit haar zolang als ik ze ken. Onze vakantieweken bij hen. De trein- en taxiritten door de hele Benelux. Zijn passie voor opera, wij op kussens op de vloer voor de televisie, die vreemde wereld ingezogen. Onze bezoeken aan de schouwburg, in onze netste kleren. Haar naaikamer. Wanneer ze achter haar naaimachine zat, kon ik uren verdwalen in de spullen die daar lagen, haar helpen wanneer het maar mocht. De grote Barokke spiegel in de gang. Zij hadden katoenen tafellopers, weckpotten, een braadslede, een rechaud, springvormen, een secretaire, een composthoop: allemaal dingen die bij ons thuis niet te vinden waren. De avonden dat ze ons in de woonkamer zelfverdediging aanleerde. De zonnige dagen in de tuin, onder de luifel. Iedere ochtend haalde mijn oom verse aardbeien, ik at er zeker een kilo per dag van. Samen wafels bakken. Tegen haar aankruipen op de bank tijdens een enorme onweersstorm. De verhalen over mijn moeder en haar broers en zussen, die ze ook had zien opgroeien.  Zijn avonturen in de mijnen, vroeger. Hoe hij voor 11 gulden per week werkte in de schachten. Hun veel te riante geldbedragen voor verjaardagen en andere feestdagen.

En tegelijkertijd voel ik nog hoe boos ik was wanneer ze in mijn ogen belachelijk deed. We hielpen hen in het huishouden, maar alles moest op hun manier. De stofzuiger moest opgetild worden en niet voortgetrokken. Dan zuigen tot aan dat ene richeltje op het Perzisch tapijt, en geen millimeter verder. Eerst in die hoek, haal het niet in je hoofd om aan de andere kant te beginnen. Als het mijn broer of mij echt teveel werd, renden we de tuin in, om daar aan de buizen van de wasdraadpalen te gaan hangen en zwieren tot onze kinderlijven weer rustig waren. Ik had altijd blaren op mijn handpalmen van die ijzeren buizen, net onder de aanzet van je vingers. Hij kwam uit Wallonië, zij uit Limburg. Hij sprak gebrekkig Nederlands, zij vloeiend Frans. Wanneer ze grote-mensen-zaken moesten bespreken of onderling onenigheid uitvochten, schakelden ze altijd over op Frans. Wij konden altijd de strekking wel raden, kregen wat woorden mee, maar voelden ons toch buitengesloten. Hij had zijn eigen taaltje gemaakt in de loop der jaren, een mengelmoes tussen Frans, Nederlands, Limburgs dialect en wie weet wat nog meer. Hoe zij hem keer op keer bleef corrigeren wanneer hij weer zo’n zelfverzonnen woord zei. ‘Het is snee, Pierre, een snee brood. Geen schnei.’ Hoe hij dan wat gromde en het toch weer fout zei. Zijn vorm van rebellie. De enige. Haar opmerkingen over ons leven, wat we allemaal fout deden in haar ogen. Ik heb een keer mijn beste vriendinnetje meegenomen, maar die kon haar goedkeuring niet wegdragen. Ze werd zelfs zo zenuwachtig, dat ze haar stuk taart niet meer zonder morsen kon eten, wat mijn tantes mening uiteraard alleen maar versterkte. Hoe zij steeds het woord overnam van mijn oom, hem geen enkel verhaal liet vertellen, de aandacht naar haarzelf toetrok, keer op keer.

En toen kwam de dag dat ze ons toevertrouwde dat de buren hen weg probeerden te pesten. Opeens werden persoonlijke zaken niet meer in de keuken besproken, ‘want de buren hadden een gat in de muur gemaakt om hen af te luisteren’. Uiteindelijk lieten ze hun thuis achter, hun afbetaalde riante hoekhuis vol herinneringen, en gingen in een luxe flat wonen. Onze bezoekjes werden toen al minder. Wij puberden er op los, konden hun oude-mensen-leven daar moeilijk bij hebben. Hun nieuwe huis kon haar angsten niet intomen, ditmaal was ze ervan overtuigd dat de bovenbuurman haar probeerde te vergiftigen via het luchtkanaal in het toilet. Op een dag stond er een enorm luchtzuiveringsapparaat in de woonkamer, vol draaiknoppen en lampjes. Ze hadden hun eigen logica verzonnen: als het lampje groen was, was de lucht zuiver. Sprong het op oranje, dan was de buurman weer bezig, en zetten ze snel alle ramen en deuren open tot het lampje weer groen blonk. Ik vond het moeilijk, wist niet zo goed wat ik moest doen: ontkennen of meespelen. Wat zou meer kwaad doen? Het waren haar angsten, maar hij had ze overgenomen, zoals haar mening altijd de zijne werd uiteindelijk. Je ziet het vaker bij bejaarden, absurde angsten. Vaak is het gericht op de verwarming, omdat dat ding nu eenmaal tikt en sist en bonkt zonder dat je er iets aan kunt doen. Maar bij haar was het op andere mensen gericht, die haar kwaad wilden doen.

Mijn broer en ik kwamen steeds minder, onze levens lagen steeds verder uit elkaar. Dan belde zij op, dat ze nog wat keukenspulletjes had, en of ik die misschien wilde hebben. Of dat ze een nieuwe videorecorder hadden, en of wij die voor hen konden instellen. Ik belde mijn broer op en haalde hem over weer eens langs te gaan samen. Achteraf begrijp ik dat ze ons gewoon misten, eigenlijk heel eenzaam waren. Zelf nooit kinderen gehad. Weinig tot geen bezoek over de vloer. Hun leven was heel klein. Toch voel ik nu vooral hoe goed ze het bedoelden. Het doet me pijn dat ze dachten sloten met geld ertegenaan te moeten gooien om mensen in hun buurt te houden. Al kon ik het altijd goed gebruiken, toch voelde het niet normaal. Ik mocht ze gewoon voor wie ze waren, de dagen bij hen thuis doorgebracht zijn me veel meer bijgebleven dan onze uitstappen met hen. Haar appeltaart was me meer waard dan hun enveloppen. Maar ze wisten niet beter, vrees ik. Hoe moeilijk het geweest moet zijn voor ze, om te merken dat we uiteindelijk toch niet meer kwamen, ondanks hun pogingen. Mijn oom is nog een paar keer langs geweest in de kledingwinkel waar ik toentertijd bedrijfsleider was, altijd met een of ander excuus, maar eigenlijk gewoon om me te zien, te vragen of ik langs kwam. Ik ging nog af en toe. Mijn sigaret moest ik op het balkon roken, geen probleem. Mijn oom kwam bij me staan, we genoten van het uitzicht, praatten samen, zonder dat zij ertussen kwam. Ik had een cd van Laïs gekocht. Daar stonden we, veertien hoog, het boekje in onze handen, hij helemaal in zijn element dat hij de Franstalige teksten voor mij kon vertalen. Zijn gniffel toen een zin ondeugend was.

In februari liep mijn tante nog aan mijn ooms arm door de stad. Gisteravond belde ik mijn moeder. Ze was mijn oom tegengekomen. Hij sprak voor het eerst uit dat het niet goed met mijn tante ging. Hij ontweek het woord, maar mijn moeder snapte het al snel. Hij vroeg of ze nog even mee naar binnen wilde gaan. Dat deed mijn moeder. Hij waarschuwde wel dat hij nooit wist hoe hij haar aantrof. Hij heeft haar sleutels moeten afnemen, moet haar opsluiten in huis. Wat mijn moeder aantrof was een verwilderde, verwarde vrouw. Ze was altijd tot in de puntjes verzorgd, maar daar is nu niets meer van terug te vinden. Haar kleding een samenraapsel, haar haren veel te lang en in pieken rond haar ingevallen hoofd. Haar blik op oneindig. Ze weet niet meer wat ze doet. Mijn moeder vertelt dat mijn oom nog snel een taart ging kopen, iets dat mijn hart een beetje breekt. Zij, die altijd zo trots waren op hun eigen gebakken taarten. En ook: hij die zo blij is bezoek te hebben, daar hoort een taart bij - hoe erbarmelijk de omstandigheden ook zijn. Mijn tante staat in de keuken, weet niet meer hoe een waterkoker werkt. Staart naar de vers gekochte taart, weet dat er iets mee moet gebeuren, maar moet mijn oom roepen om erachter te komen wat precies. ’s Nachts dwaalt ze soms door het huis, trekt haar kleren uit of aan, mompelt wat. Hij heeft al met de huisarts gepraat, maar wil haar zo lang mogelijk bij hem in huis houden. Nu staat hij er opeens alleen voor. Zij deed overal het woord, omdat de meeste mensen hem niet begrijpen. Ik verstond hem altijd, omdat ik hem kende. Maar een of andere telefoniste kan er weinig logica in ontdekken vrees ik. En hij, die zo vergroeid is met haar, op het symbiotische af. Haar op handen droeg. Hoe moeilijk moet het zijn om de aftakeling te moeten aanschouwen. Machteloosheid. Verdriet.

En hier zit ik. Een jaar geleden heb ik een paar dagen getwijfeld of ik ze een brief zou schrijven, om mijn avonturen in België met ze te delen. Zijn land, per slot van rekening. Maar ik durfde niet. Wist niet of ze erop zaten te wachten. Nu sla ik mezelf voor mijn hoofd, had ik het maar gedaan. Had ik ze maar laten weten dat ik nog geregeld aan ze denk, dat ik dankbaar ben voor wat ze me hebben gegeven al die jaren. Welkom zijn is onbetaalbaar. Ik ben niet vergeten hoe onmogelijk ze soms waren, hoe mijn tante kon drammen over zaken waar we anders over dachten. Maar dat neemt niet weg dat ik van ze houd. Gisternacht in bed kon ik de slaap niet vatten. Onze gezamenlijke herinneringen dwarrelden door mijn hoofd. Flarden leven. En hoe zal het nu gaan? Sta ik uiteindelijk op haar begrafenis, me een trut te voelen dat ik me zo van ze heb afgekeerd de laatste jaren? Enerzijds wil ik mijn oom nu een hart onder de riem steken. Maar tegelijkertijd voelt dat als mosterd na de maaltijd: haar kan ik al niet meer bereiken. En nu opeens opduiken, nu het slecht gaat, ook niet echt vrijblijvend en oprecht. Hij heeft zijn handen nu vol aan zorgen voor mijn tante, aan accepteren dat ze in drie maanden keihard achteruit is gegaan, en dat voorspelt waarschijnlijk weinig goeds. Mijn moeder en mijn oma, haar zus dus, hebben afgesproken regelmatig langs te gaan. De zussen hebben ook niet altijd op goede voet met elkaar gestaan, maar dat doet er nu opeens niet meer zoveel toe. Een deel van mij wil mee gaan, mee er voor hen zijn. Een ander deel is rationeler: we hebben al jaren geen contact meer, zo werkt dat niet. En ik woon in een ander land, niet echt om de hoek. Een brief schrijven heeft ook weinig zin, zij was degene die kaarten altijd vertaalde en geschreven zinnen uitlegde.Ik houd het dus voorlopig maar op overgebrachte groeten en sterkte, op meeleven van een verre afstand. Maar het zit me niet lekker. Had ik maar, had ik maar, had ik maar.

*Kans

David wilde koste wat het kost nog naar de Mediamarkt. Ze had eerst moeilijk willen doen, maar was toch maar gewoon meegegaan zonder verder gezeur. Ze waren ten slotte al de hele ochtend bij haar ouders geweest, en nu ze toch hier waren konden ze eigenlijk net zo goed gebruik maken van de situatie. Het was druk op straat, maar dat kon ook haast niet anders op een zaterdagmiddag. Misschien kon zij dadelijk even naar haar favoriete kledingwinkel, David had zijn zin tenslotte ook gekregen… Ze kon het niet laten goed om zich heen te kijken naar alle mensen. Wie weet, zover ze wist woonde hij hier nog. Ach, bedacht ze, wat is de kans dat ik hem net nu tegen het lijf loop? En zelfs wanneer het zo was, wat dan?

‘Lauren…?’ Het was eruit voor hij het door had. Ze draaide zich abrupt om. Verbaasd keken ze elkaar aan. ‘Wat doe jij hier?’ stamelde hij, terwijl zij op hetzelfde moment ‘Dat is lang geleden zeg!’ uitriep. Ze lachten zenuwachtig. ‘Uh, dit uh, is David.’ Ze legde haar hand op zijn arm. ‘David: Roald. Roald: David.’ Hij knikte, stak zijn hand uit naar de kerel naast haar. Hij leek wel wat op hemzelf, constateerde hij. Alleen iets kleiner. En gespierder. David drukte hem kort maar stevig de hand. ‘We waren op bezoek bij mijn ouders… Nog even snel het centrum in nu.’ Ze hield haar ogen strak op hem gericht. Hij knikte weer. Zeven maanden. Het leek een eeuwigheid en tegelijkertijd gisteren. Hij voelde dat het nu zijn beurt was om iets te zeggen. ‘Alles goed?’ Haar haar was donkerbruin geverfd, maar verder was ze nog precies zoals hij haar herinnerde. ‘Ja… Ja hoor. Zeker.’ Ze glimlachte. ‘We moeten door, Lau, de parkeermeter loopt door…’ David draaide zijn bovenlijf al richting het winkelcentrum. ‘Ja, nee, inderdaad. We eh… leuk je weer eens te zien.’ Haar laatste woorden sprak ze zacht. Haar hand gleed in haar tas terwijl ze ‘Nou eh, dag dan maar weer…?’ tegen hem zei. ‘Ik zal jullie niet langer ophouden. Goed je weer te zien.’ Hij zette een stap naar achteren. Toen voelde hij haar hand in de zijne. Kort, zijdelings. Ze drukte hem iets in zijn palm. Instinctief wist hij dat dit een onopvallende actie moest blijven, hij liet het papier dan ook subtiel in zijn achterzak glijden, zijn ogen op David gericht, maar die leek niets door te hebben.

Davids blik was op de weg gericht. Hij schakelde en gaf gas. Haar hand gleed weer in haar tas. Ze had geprobeerd zo nonchalant mogelijk de middag door te komen. David had er weinig meer over gezegd, behalve die ene vraag. ‘Was dat je ex? Die Roald die je uit je telefoon hebt gewist toen ik het je vroeg, in het begin?’ Ze had alleen geknikt. Haar vingers zochten op de tast haar agenda. De agenda waar al een half jaar haar brief in had gezeten. Ze had hem geschreven en er nooit afstand van kunnen doen. In een opwelling had ze hem daarstraks aan Roald gegeven, beseffend dat ze hiermee wel eens grote problemen kon veroorzaken. Geroutineerd stak ze haar wijsvinger tussen de achterkaft en de bladen, zoals ze al die maanden gedaan had wanneer ze haar agenda nodig had gehad, om te voorkomen dat het blad eruit zou vallen. Ze voelde haar afsprakenkaart van de tandarts. Daarnaast haar spaarkaart van de dierenzaak. En daarachter het opgevouwen blad, beduimeld door de maanden van bewaren. Wat? Haar adem stokte. Hoe kon het…? Het voelde zo vertrouwd, maar ze moest het mis hebben. Tersluiks keek ze naar David, die had zijn ogen op de weg gericht. Ze duwde haar tas wat verder open, probeerde de agenda open te klappen zodat ze er goed zicht op kreeg. ‘Shit, een omleiding. Wil je even kijken waar we naartoe moeten?’ Geschrokken trok ze haar hand terug. Stamelend knikte ze, nam verdoofd de wegenkaart naast haar stoel uit het opbergvak.

Het blad papier brandde in zijn achterzak. Hij durfde het niet op straat te bekijken, bang dat zij nog in de buurt waren en die David het zou zien. Vooruit, ook omdat hij genoot van het bedenken wat erin kon staan. Hij hoopte dat ze in ieder geval haar adres zou hebben opgeschreven. De laatste keer dat hij haar had proberen te bellen, kreeg hij een blikken stem te horen die hem informeerde dat dit nummer niet langer in gebruik was. Ze moest toch al maanden met die brief rondgelopen hebben, bedacht hij. Zijn hart klopte in zijn keel. Hij verzon alle woorden die hij graag van haar zou horen. Af en toe sloeg de angst hem om het hart: wat nu als ze iets gemeens geschreven had? Maar dan bedacht hij snel dat ze dan niet zo stiekem gedaan zou hebben. Dat kalmeerde hem weer, en hij fantaseerde voort. Misschien voelde zij wel nog net zoveel voor hem als hij voor haar? Misschien kon alles wel opgelost worden, en…? Hij dook zijn stamkroeg in, nam plaats op een van de houten banken in de hoek. Hij hief zijn hand naar de barman op. Die op zijn beurt hief zijn vinger en begon zijn vaste bestelling te tappen. Wat een ongelofelijk toeval dat hij haar tegen het lijf gelopen was. Hij was blij dat hij haar aangesproken had. Voorzichtig, met trillende vingers, haalde hij nu de brief uit zijn achterzak. Het was A5 formaat, eenmaal dubbelgevouwen. Zijn Westmalle werd voor hem op tafel gezet. Hij knikte en vouwde het papier open terwijl de barman weer terug naar de toog liep. Hij herkende haar handschrift meteen.

Lasagne
Eieren
Handzeep
Dubbeldrank
Wasverzachter
Kaas
Aansteker
Tandenstokers

Verslagen keek hij naar haar woorden. Misschien was het een soort geheimtaal? Hij probeerde de eerste letters achter elkaar te zetten, maar kon er geen woord uithalen. De tweede letters dan misschien? Vijf minuten lang staarde hij verwoed naar het papier, maar moest het toen toch opgeven. Hij begreep er niks van. Teleurstelling vulde zijn lijf. Zijn hart nam zijn normale ritme weer aan. Verdomme. Hij wist niet of ze dit nu met opzet gedaan had, om hem te stangen, of dat er werkelijk iets misgegaan was. Hij kon zich niet helemaal voorstellen dat ze zo gemeen zou zijn, maar herinnerde zich wel hun laatste ruzies. Die waren keihard en fel geweest. Misschien dat ze dit toch zo bedacht had? En nu met haar nieuwe vriend keihard stond te lachen over zijn hoop die de grond in geboord werd? Hij voelde zich een enorme sukkel. Boos frommelde hij het papier tot een prop, maar kon het ding toch niet weggooien. Hij vouwde het weer open, streek de kreukels met zijn handen glad. Weer staarde hij naar haar lijst. Ze dronk nog steeds dubbeldrank, en zo te zien rookte ze ook nog steeds. Geërgerd zuchtte hij, wat schoot hij hiermee op? Hij zakte onderuit op de bank en sloot zijn ogen. Verdomme. Verdomme verdomme verdomme. Hij kon bij haar ouders aankloppen, die woonden vast nog op dezelfde plek, maar wat nu als zij werkelijk alleen maar lullig had willen doen? Dan sloeg hij wel een modderfiguur natuurlijk, als hij naar haar op zoek ging. Hij zuchtte nogmaals, besloot de zaak maar helemaal te laten rusten. Ja. Dat was de enige juiste oplossing. Hij zoog zijn longen vol en liep richting de bar, sloeg een van de andere stamgasten amicaal op zijn schouder. ‘Hee man, het is weer weekend he!’ Hij draaide zijn hoofd, keek naar de tafel, waar haar briefje nog uitgevouwen lag. Verdomme. Rot op. ‘Doe mij er nog maar eentje, en meteen ook nog een dubbele voor Lex hier.’ Hij nam plaats op een kruk en keek niet meer om.

*Bizar

Ook ik had het gisteravond over het nieuws van de dag. Vanuit België volgde ik de berichten van de online kranten op de voet. Mijn eerste reactie was een afgrijselijke gedachte: Vier doden? Dat valt toch reuze mee.

In het journaal hoor je zo vaak van honderden, duizenden en nog meer doden bij uiteenlopende rampen. Het is erg, maar voor een deel word je er immuun voor. Gelukkig maar voor een deel. Dat andere deel van mij, dat zat met rillingen over de rug te kijken naar het filmpje waar de slachtoffers nog over de grond vliegen en er druk wordt gereanimeerd. Ik hoefde me maar een seconde voor te stellen hoe het zou voelen als je daar stond, of erger nog: lag, om te weten dat iedere dode er een teveel is, iemand die nietsvermoedend zijn familie en vrienden verslagen achter moet laten, en dan nog op zo’n mensonterende manier.

Een walgelijk bizarre daad. Eentje waar weinig voorbereiding aan vooraf lijkt te zijn gegaan. Een grote Hummer aanschaffen bijvoorbeeld. Het lijkt bijna op de dag zelf beslist, tijdens een psychose of iets dergelijks. Ik sprak tegen mijn vriend iets uit wat je eigenlijk niet mag zeggen, maar ik zei het toch.

‘Eigenlijk had het nog veel erger kunnen zijn. Ik probeer niets te bagatelliseren, begrijp me niet verkeerd, maar toch. Die man had meters ver door het publiek kunnen rijden, daarmee in plaats van tientallen, honderden gewonden en doden kunnen maken. Het valt me op een bepaalde manier nog mee dat hij het niet op al die Koningshuisgezinden voorzien had, maar op het handjevol mensen dat op die bus reed, het Koningshuis zelf dus.’

Helaas moest dat zwarte autootje wel door het publiek rijden om bij de bus uit te komen. En dat leverde de afgrijselijke werkelijkheid op. Stel je voor, je staat langs de weg, je kinderen zitten voor je op de grond in kleermakerszit. De volgende seconde vliegen de mensen om je heen over de straat, bloed en paniek, je zoekt instinctief naar je gezinsleden, je vrienden, zijn ze allemaal ongedeerd? Voor een heel aantal van de toeschouwers werd die laatste vraag negatief beantwoord. Onwerkelijk gruwelijk.

Vanochtend las ik de laatste nieuwe informatie over de zaak. Dat de man is overleden, en dus nooit meer opheldering kan geven. In datzelfde gesprek met mijn vriend gisteravond had ik nog uitgesproken dat ik hoopte dat hij het zou overleven. Zodat alle nabestaanden een soort rust zouden kunnen vinden in de komende maanden, wetende dat de man werd veroordeeld voor zijn daden. Maar ook hoe bizar het moet voelen als dokter, wanneer je zo iemand aan het oplappen bent.

Vanochtend las ik dus alle berichten over het onderwerp. Daarbij stuitte ik op een gegeven moment op het volgende stukje:
Een droevige dag, inderdaad. Al kon je gisteren uit vele gesprekken, op straat maar ook op radio en tv, ook veel opluchting proeven. Niemand durft het echt uitspreken, maar velen denken:…” Ik dacht: nu komt het. Wat ik gisteren uitsprak, staat hier gewoon geschreven. Maar toen las ik verder. “…stel je voor dat niet Karst T., maar wel een meer ‘professionele’ terrorist met een bomauto de bus met de hele koninklijke familie geraakt had?

Ik stond perplex. Het was nog niet in me opgekomen dat het een grotere ramp is wanneer Bekende Mensen sterven door zo’n daad, dan de onbekende, ‘gewone’ mensen. Ik vind het ronduit belachelijk. Natuurlijk, dat gedeelte van de explosieven, daar kan ik in meevoelen. Wie weet waren er dan nog veel meer slachtoffers gevallen. Maar om het nu een opluchting te vinden dat Trix en Lex en Maxima ongedeerd zijn, terwijl de buurjongen, de overbuurvrouw en je achternicht overleden zijn aan hun verwondingen, dat kan ik echt niet begrijpen.

Laat ik het dan maar op tijdelijke ontoerekeningsvatbaarheid door de schok houden. Een andere manier om zo’n opmerking te plaatsen is er niet, voor mij.

*Bestaansrecht

Een ietwat gezette man met een koffertje en paraplu. Hij stapt de bus in voor mij, en ik struikel de eerste trede op, bijna tegen zijn brede rug aan. Een enkele hand raakt zijn schouder, ik excuseer en hij glimlacht.

Een kinderwagen, daarachter een jonge moeder. Ze heeft een paarse joggingbroek aan tot net over de knie. Ik sla de hoek om en snijd haar net de pas af. Mijn hand rust op mijn tas, ik strijk met de rug van mijn hand langs haar heup. ‘Pardon’, maar ze reageert niet eens.

Ze is snel, de boodschappen vliegen langs de scanner. Wanneer ze het totaal noemt, reik ik haar vijftig euro op mijn gestrekte hand. Wanneer ze het aanpakt, raken mijn vingertoppen heel even de hare. Ik pak mijn boodschappen en kan met een gerust hart naar huis.

Hij heeft duidelijk haast, wringt zich een weg door de meute. Hij is lang, sportief. Nog twee meter, dan kruisen we elkaar. Ik schuif iets op, zodat ik in zijn weg loop. Wanneer hij passeert botsen onze schouders tegen elkaar.

In de rij voor het loket kijk ik om me heen. Achter me een gezin, die zullen wel naar de nieuwste kaskraker gaan. Voor mij een jonge vrouw, die lijkt me meer het type voor de cultuurfilm. Ik zet een stap naar voren, wacht totdat ik geschuifel hoor, zet dan diezelfde stap weer terug. Mijn hak raakt de tenen van de vader. Ik draai mijn bovenlijf naar achteren: ‘Oei, excuses.’ Hij heft zijn hand tot een verontschuldigend gebaar, gaat weer iets terug staan, naast zijn vrouw en kinderen.Glimlachend kijk ik weer voor me.

Ik doe alsof ik een bepaalde titel zoek, maar wacht eigenlijk gewoon tot ze langslopen. Mijn vinger strijkt langs de ruggen van de boeken, over de stickers die de bibliotheek erop geplakt heeft. Het zijn twee jongetjes, zie ik. De ene rent, de ander waggelt erachteraan. Wanneer de kleinste langsloopt, aai ik hem even over zijn haren. Hij kijkt op, versnelt dan zijn pas om zijn broertje bij te houden.

Wanneer ik de deur open, bots ik tegen een passant op. Een wat oudere man, grijzend en in gedachten. Mijn elleboog raakt zijn arm, door de kracht draai ik een kwartslag. Verschrikt roept hij sorry, hij was niet aan het opletten. ‘Geen probleem’, zeg ik hem. Ik glimlach, pak mijn sleutel uit mijn tas en kan meteen weer naar binnen. Een nieuw record.

‘Hoe gaat het nu met je?’ Ik haal mijn schouders op. ‘Wel goed, denk ik. Weinig nieuws. Mijn pillen zijn bijna op, dus straks een recept meegeven graag.’ Hij schrijft iets in zijn map. Ik overweeg zelf het woord te nemen, om hem geen kans te geven de richting van het gesprek te bepalen, maar ik ben al te laat. ‘En de neurose? Nog vorderingen?’ Ik slik. ‘Gaat prima hoor, bijna geen last van.’  probeer ik nonchalant. ‘Doe je het nog iedere dag? Of lukt het al om het soms te laten?’ vraagt hij door. ‘Ja hoor, afgelopen week volgens mij niet eens bij stil gestaan…’ lieg ik. Hij kijkt me doordringend aan. ‘Volgens mij zag ik je buiten zojuist een dame op leeftijd aanklampen?’ In een flits zie ik weer hoe ik haar onderarm zacht greep, zogenaamd om haar vraag waar de supermarkt lag beter te horen. ‘Oh nee, dat is mijn buurvrouw, die ken ik hoor.’ Ik voel dat mijn wangen warm worden. ‘Goed, kun je volgende week een dagboek bijhouden? Om te zien wanneer je eraan denkt, en wanneer je eraan toegeeft?’ Ik knik.

‘Ik wil vooral zien wanneer de rusteloosheid op begint te komen, en hoe je daar dan mee omgaat. Wat doe je om het te onderdrukken? Ik bedoel wanneer je er niet aan toegeeft natuurlijk.’ Ik denk aan hoe ik er iedere ochtend mee opsta. Hoe de drang groeit naarmate de uren vorderen. Hoe ik dan excuses ga verzinnen voor mezelf. Dat ik nog prei moet kopen. Dat ik zin in een hamburger heb. Dat ik die sokken nog moet ruilen. Alles is goed, zolang ik maar de straat op mag. Ik haal mijn schouders op. ‘Ik uh, ik doe het dan gewoon niet. Denk er gewoon niet aan, of zoiets.’ Ik zie aan zijn blik dat hij me niet gelooft. Ik weet ook wel dat het een beetje raar is. Dat het een soort obsessie is. Maar toch kan ik het niet laten. ‘Zullen we afspreken dat je de komende week probeert om er om de andere dag niet aan toe te geven? En alles wat er door je heen gaat opschrijven, niet vergeten.’ Ik knik maar weer, zie er nu al tegenop. Ik wil met mijn vuist op tafel slaan. Ik wil schreeuwen dat het toch niet zo’n ramp is, dat niemand er echt last van heeft. Alsof hij mijn gedachten kan lezen vervolgt hij zijn woorden. ‘Je minimaliseert het waarschijnlijk in je hoofd, maar jij weet diep vanbinnen net zo goed als ik dat je niet je leven lang iedere dag een vreemde kan aanraken. Niet voor die mensen, die merken er waarschijnlijk weinig van, maar voor jezelf. Jij moet je ervan los maken. Het heeft jou onder controle nu, en dat moet andersom. Begrijp je wat ik zeg?’ Voor de zoveelste keer knik ik. Ik kan een zucht niet onderdrukken.

(Dit logje kwam opborrelen nadat ik een artikel las over iemand die de neurotische drang had om iedere dag een wildvreemde aan te moeten raken.)

*Een onbewuste hobby

Het was een week of twee geleden. Ik stond ’s ochtends mijn tanden te poetsen voor de spiegel. Ik keek op, en zag tot mijn verbazing een rode streep tussen mijn wenkbrauw en mijn oog. Ik leunde iets naar voren en moest concluderen dat ik tijdens mijn slaap een sneetje in mijn rechter oogkas had gefabriceerd. Het was geen oppervlakkige kras te noemen, maar ook niet echt een diepe wonde. Het was een kaarsrecht lijntje, diagonaal onder mijn wenkbrauw, bijna tot aan mijn oog, felrood door het pasgevormde korstje.

Ik heb nooit echt lange nagels, dus kon me niet voorstellen dat ik opeens mijzelf gekrabd had. Daarvoor was het sneetje ook net te breed en te diep. Ik bekeek mijn handen en kon alleen maar verzinnen dat ik met een van mijn ringen een rare beweging gemaakt moest hebben. Op zich ook niet voor de hand liggend, ik slaap al jaren en jaren met dezelfde ringen aan mijn vingers, en echt scherpe hoeken hebben ze ook niet. Ach, er was toch geen manier meer om achter de oorzaak van het piratenteken te komen.

De eerste twee dagen met mijn nieuwe look kwam ik erachter dat ik vaker dan ik dacht met mijn wijsvingers over mijn wenkbrauwen strijk. Normaal een onbewust gebaar, maar door het sneetje iedere keer irriterend pijnlijk omdat ik blijkbaar het wondje steeds open trok. In de loop van de week heelde mijn sneetje gelukkig, ik heb er zelfs maar een enkele keer flink aan gepeuterd, toen het korstje al aardig los begon te komen. Alles wat er nu van rest is een vaag rood schijnsel waar mijn huid nieuwer is dan de rest van mijn gezicht.

Gisterochtend werd ik wakker met een nieuwe snee. Ditmaal begint het dingetje ergens in mijn haargrens, rechts van mijn scheiding, en eindigt het op mijn voorhoofd. Deze is niet zo kaarsrecht, maar een beetje wiebelig. Ook is hij wat langer. Toch komen diepte en breedte overeen met het eerste exemplaar. Een duidelijk geval van ‘zelfde oorzaak’  dus. Maar die oorzaak, die blijft nog steeds een raadsel. Het enige dat ik anders doe dan voorheen, is af en toe mijn hoofd op mijn palm rusten in bed. De piercings in mijn oren kunnen tot een jaar tijd nodig hebben om te helen, want gezet in kraakbeen, en inderdaad is erop liggen nog altijd gevoelig. Toch slaap ik zo al enkele maanden, met die hand dus onder mijn hoofd, om de druk op mijn oor te verminderen.

Waarom ik nu dus opeens mezelf verwond blijft erg onduidelijk. De eerste snee viel nogal op en was moeilijk te maskeren, de tweede kan ik gelukkig onzichtbaar maken door mijn haar eroverheen te draperen. (Wat dus ook betekent dat ik er naar hartenlust aan ‘mag’ peuteren van mezelf, want het valt toch niet op als er een litteken van komt.) Toch hoop ik dat ik hier geen gewoonte van ga maken. Een gezicht vol krassen, dat is moeilijk uit te leggen en echt mooier word je er ook niet van. Ik heb mezelf dan ook stevig toegesproken, en gezegd dat ik dit soort onbewuste hobby’s niet op prijs stel aan mezelf. Dat er, als ik er dan nachtelijke taken op na moet houden, wel duizend dingen zijn die zinvoller of leuker zijn dan mezelf bekrassen.

Nu maar hopen dat ik naar mezelf luister.

*Tijdloos

Op zoek naar een oude sok om de opgeschuurde tafel met olie in te kunnen smeren, stuitte ik in mijn sokken- en lingerielade op een lederen armband. Die was ik helemaal vergeten! Het is een stoer ding, met een flinke gesp en bruin leer dat over zichzelf gedraaid een armband vormt. Afgelopen zomer had ik hem graag en vaak om, maar met de komst van dikke truien met lange mouwen verdween hij langzaam naar de bewuste lade.

Ik viste hem uit zijn vergetelheid en gespte hem - na eventjes geklungeld te hebben tot ik het systeem herontdekt had - om mijn linkerpols. Dat zomergevoel kroop direct via mijn pols naar mijn ruggengraat, en van daaruit mijn hoofd in. Bijna vergat ik in al mijn enthousiasme de sok waar ik voor kwam mee te nemen. Eenmaal in de woonkamer aangekomen ging ik vrolijk aan de slag met de geweldige Hard-ol. (Op die o behoort een trema, maar mijn nieuwe toetsenbord is het daar niet mee eens.) ‘Hart-eul’ sprak ik fonetisch. Wat hebben de Duitsers toch een vreemde taal. Harde olie, dat spreekt elkaar toch finaal tegen?

Ik kom oorspronkelijk uit het puntje van het Nederlandse zuiden, dus de Duitse taal is mij verre van vreemd. Lief daarentegen is een rasechte Belg, en zodoende amper in aanraking geweest met Duitse woorden. Het is, hoe zal ik het noemen, verfrissend om hem iets in die taal te horen zeggen. Hij negeert iedere umlaut alsof het vergif is, en hanteert veelal de gouden regel ’spreek Nederlandse woorden gewoon met je beste Hitler-imitatie uit en je spreekt Duits’. Maar deze bewuste Hard-ol, die is door hem omgedoopt tot Haldol.  Juist ja: wij smeren ons hout in met het oudste antipsychotische middel dat bestaat. Maar dat geheel terzijde.

De olie moet een half uur intrekken, vervolgens moet het overschot weggeveegd worden, en als het goed is, is het meubelstuk dan waterdicht. Vandaar de naam waarschijnlijk. Terwijl ik in de keuken een sigaretje rookte, wachtte ik tot er een kwartier voorbij was. Een sigaret roken duurt zo’n vijf tot tien minuten, dus ik had nog tijd om een beetje op te ruimen alvorens ik weer naar de tafel moest om eventuele droge plekken te beoliën. (Zie, hier kan ik wel een trema op de o krijgen, omdat de spellingchecker die optie geeft. Helaas staat Hard-ol niet in zijn lijst. Wist ik nu de altcode voor die puntjes maar.) Toen er naar mijn gevoel vijftien minuten voorbij waren keek ik vrolijk op mijn linkerpols om de tijd te checken.

Stompzinnig stond ik naar mijn armband te staren. Ohja, dat is geen horloge. Ik wierp een blik op de klok in de woonkamer, wat wel effectief bleek. De nodige olie werd weer gesmeerd en een volgend kwartier van wachten brak aan. Dat leek me het ideale moment om de zogenaamde platte kaas te eten die ik zo lekker vind. Wat de Nederlanders kwark noemen, heet hier dus platte kaas. De die-hard lezers onder u weten onderhand dat ik een gruwelijke hekel aan kaas heb, het is smerig en kan nooit bedoeld zijn voor consumptie. U begrijpt dan ook wel dat de Belgische benaming voor kwark mij makkelijk in het verkeerde keelgat schiet. Maar ik zal ermee moeten leren leven, er is niets aan te doen. Maar ook dat volledig terzijde.

Zou het half uur al om zijn? U raadt nooit, maar dan ook nooit wat ik deed om dat na te kijken. Juist ja: ik keek weer even eigenwijs op mijn pols. Grrrr, een keer is tot daaraantoe, maar twee keer? Domme Wenz. Ik liet me niet uit het veld slaan en keek nogmaals op de klok, en hield me vervolgens bezig met de tafel en de olie. Nog een leuk detail: ik had de tafel op z’n kop gedraaid om eerst de poten te kunnen doen. Toen het blad aan de beurt was, moest de tafel dus weer teruggedraaid worden. Dat was beduidend ingewikkelder dan de eerste draai, omdat ik ditmaal de zwaartekracht niet mee had. Ik moest dan ook de nodige capriolen uithalen om het ding weer op z’n poten terecht te laten komen. Denk een wijdbeense Wenz, voeten tegen de poten, trekkend aan het blad en bijna omvallend onder het gewicht, proberend over het blad heen te reiken wat net niet lukte en u heeft een aardig idee. Maar dat, ja ja, volledig terzijde.

De rest van de dag verliep gelukkig zonder verdere problemen, tot ik uiteindelijk in het enorme winkelcentrum hier verderop eindigde. Het is zo’n twintig minuten rijden vanaf mijn huis, en toen we uiteindelijk in de parkeergarage stonden kwamen we erachter dat onze portemonnees nog thuis lagen. Dat is natuurlijk niet zo productief. We besloten dat lief terug zou rijden en ik alvast rond zou gaan neuzen. Het zou zo’n veertig minuten duren voor hij weer terug was, en we zouden wel even bellen om elkaar weer te vinden. Aangezien mijn oren zich niet zo goed van hun taak kwijten moest ik de tijd in de gaten houden om te weten wanneer ik extra scherp op moest letten of ik mijn ringtone al hoorde.

Het zal als een volkomen verrassing voor u komen,maar toch ga ik het vertellen. Hoe denkt u dat ik de tijd in de gaten hield? Nee, nee, ik hoef het niet eens meer te zeggen. Wat ik wel nog kan zeggen, is dat ik uiteindelijk toch twee oproepen gemist had alvorens ik mijn telefoon hoorde. En dat ik ernstig aan mijn intelligentie begon te twijfelen, of in ieder geval aan mijn geheugen. Hoe vaak kun je dezelfde fout maken? Ik heb, naar mijn bescheiden mening, die grens flink verlegd gisteren.

Maar ik heb wel allemaal heel erg leuke, nieuwe, zomerse kleren. Jazeker! En die armband? Die past daar perfect bij. Die kan ik dus nog heel vaak dragen. Ik hoop alleen dat niemand mij vraagt hoe laat het is.

*Perikelen van het buur-zijn

Ik moet u iets bekennen. Ik woon nu al ongeveer een half jaar in deze nieuwe straat. Een fijne straat, met bankjes en boompjes en plantenbakken, zoals ik al eens verteld heb. Ook een straat met hele smalle parkeerplaatsen. Dat komt, zo vertelde de overbuurman en eigenaar van de kapsalon, doordat het straatcomité dertig jaar geleden dacht dat de auto’s van tegenwoordig vooral compact en klein zouden zijn. Een kleine misrekening. Hij verontschuldigde zich met een lach. Onze straat heeft dus ook veel afgebrokkelde muurtjes. Die muurtjes behoren toe aan de plantenbakken. En die zijn niet echt strategisch geplaatst. Ik bedoel, het ziet er leuk uit, van die puntige uitsteeksels midden in de straat. Maar helaas een hel om omheen te parkeren. Ook onze auto heeft al eens tegen zo’n plantenbak aangezeten. Gelukkig rijdt de gemiddelde parkeerder heel traag, en hadden we dus geen schade. Natuurlijk zijn niet alleen de plantenbakken doelwit, ook de auto’s die tegenover elkaar geparkeerd moeten staan zijn een zwakke plek. Zo nu en dan kussen er wat bumpers en aaien er wat deuren.

Zo ging zondagochtend om negen uur de bel. Ik opende de deur en vond daar een overbuurman van een paar huizen verderop. Die vroeg naar ‘meneer’. Omdat ‘meneer’ in die zwarte jeep rijdt, toch? Ik moest hem teleurstellen, onze auto is groen en geen jeep. Oh, vertelde hij, dan had hij zich vergist. De zwarte jeep stond tegenover de enorme rode auto van de betreffende buurman geparkeerd, ik zag de bui dus al hangen. Op dat moment kwam er een man aangelopen met twee gitaren en een koffer. Op de zwarte jeep stond een logo dat naar muziekinstrumenten verwees. De buurman heeft zijn wiskunde goed onder de knie, want hij kon vliegensvlug 1 en 1 bij elkaar optellen. Dat zal de eigenaar van de jeep zijn, riep hij dan ook verhit, en liet mij met ferme passen achter. De neiging te blijven luisteren daar aan die deur onderdrukte ik, zoals het een goede buur betaamt, en ik liep dan ook weer netjes naar binnen.

Terwijl ik de deur achter me sloot, maakte ik de balans op van mijn buur-zijn. Ik zeg altijd netjes gedag tegen de linkerbuurvrouw, en al haar kinderen en verzorgsters die in en uit lopen daar. Ik heb zowaar een sociaal praatje met de kapsalonbuurman gehouden, voor mijn eigen deur, terwijl ik net van de dierenarts kwam en mijn kattebeestje dus heel zielig in een plastic draagkooitje zat. (En door ons gesprek heen miauwde, alsof ze me iets duidelijk wilde maken.) Ook praat ik af en toe met de rechterbuurvrouw, Mia, een kwieke oude dame die wel van sociaal contact houdt. Mia heeft al eens een pakketje voor mij aangenomen toen ik niet thuis was. En een handgeschreven briefje in mijn bus gegooid om dat te melden. En toen ik mijn post kwam ophalen, vertelde ze mij dat ze het totaal geen probleem vond, van dat pakketje. Dat we daarvoor toch buren waren.

Mijn score op de straatschaal zag er dan ook goed uit, besloot ik tevreden. Ik was niet eens boos dat de buurman zo vroeg had aangebeld! Nadat ik de sleutel in het slot had omgedraaid, zette ik een paar stappen de gang in. Mijn oog viel op een brief die op de verwarming lag. En toen, daar, op dat moment, verschoof ik drastisch op de straatschaal en helde ik vervaarlijk op het randje van asociaal.

Zie, op de verwarming lag een brief van de watermaatschappij. De enveloppe was al opengescheurd door mijn wederhelft, voor we erachter kwamen dat deze rekening niet voor ons bestemd was. In het venstertje was duidelijk Mia te lezen, en ook het huisnummer klopte niet. Ach, zeiden wij tegen elkaar, dat moet naar de buurvrouw. Een beetje vervelend dat we die rekening open hebben gescheurd, maar zoiets kan nu eenmaal gebeuren.

En zo verstreken er twee weken. En de ondertussen goed opgewarmde brief lag dus nog steeds op de verwarming in mijn gang. Wortel te schieten. Hoe vaak zal ik erlangs gelopen zijn? Zeker vijfentwintig keer denk ik. Ik pakte het ding in mijn handen. En toen kwam het dilemma: moet ik nu een opengescheurde rekening die al twee weken in mijn huis ligt aan de buurvrouw gaan overhandigen? Na wat zuchten en steunen besloot ik dat de vermaledijde rekening moest verdwijnen in de vergetelheid. Ik kon simpelweg niet meer bij de buurvrouw aankomen met dat antieke ding.

Ik zal dus in ontkenning blijven als er ooit over vermiste rekeningen wordt gesproken. Of wanneer de buurvrouw komt aanbellen met de vraag of ze even een pannetje water mag lenen omdat in haar huis om onbekende redenen het water is afgesloten. En dat laatste mag echt niet gebeuren! Wanneer de buurvrouw namelijk bij mij aan zou bellen vandaag, zou ze oog in oog staan met haar verdwenen rekening. Ik heb hem namelijk nog niet weggehaald van zijn vaste plek. Ditmaal niet omdat ik het vergeten ben. Ik wil simpelweg niet de beul zijn die het ding bij het oud papier smijt. Dan is het namelijk officieel: er huist in mij een ongelofelijke slechte buur. Eentje die zomaar post van de buren weggooit. Stel je voor zeg. Nee. Ik wacht gewoon tot ‘meneer’ het doet.

Helaas is ‘meneer’ niet zo van het opruimen… Ik vrees dus dat ik nog vele dagen geconfronteerd zal worden met mijn slechte buur-zijn als het aan hem ligt. Maar, bedacht ik me heel slim, als ik er nu een logje over schrijf, dan pikt hij de hint vast wel op! Duimt u mee?

Oh, en ik ga er helemaal van uit dat mijn geheim veilig is bij u, lezers. Dat u met geen woord rept van mijn asociale inborst. En gewoon heel aardig naar me bijft glimlachen. Precies zoals ik naar Mia glimlachte toen ik net thuis kwam en haar op de stoep aantrof.

*Dubbel

Als ik het goed begrijp, is dit dus de plek waar het allemaal gebeurt?

Inderdaad ja, hier op deze zelfde stoel, aan deze zelfde tafel. Op de hoek van de tafel, recht onder die spiegel, staat mijn scherm. En hier ligt de drijvende kracht achter het geheel natuurlijk: mijn muis!

Laten we bij het begin beginnen: wanneer ontdekte u dat het mogelijk was?

Nou kijk, met vorige versies van mijn operating system was zoiets ook al mogelijk, dus ik ben op een dag gewoon gaan zoeken. En binnen afzienbare tijd had ik het gevonden, en kon ik aan de slag.

Ach zo ja, heel simpel eigenlijk. Toch ben ik erg nieuwsgierig naar het volgende: hoe hebben de aantallen in zo’n korte tijd zo enorm kunnen oplopen?

Nou zie, daar is in mijn geval weinig voor nodig. Ik heb sinds kort een nieuwe weekinvulling, ik doe vrijwilligerswerk in een cursuscentrum. Dat houdt in dat ik op vrijdagmiddagen de administratie doe, en af en toe door de week en in het weekend de cursisten verwelkom.

Verwelkomen?

Ja zie, je moet de zalen klaarmaken voor gebruik, verwarmingen, stoelen, tafels, soms matjes, stereo-installaties, whiteboards, noem maar op. Vervolgens loop je de lijsten door en kijk je welke cursisten nog geld moeten betalen of terugkrijgen, en begin je in de keuken van het cafetaria al aan de koffie en thee. Wanneer de eerste mensen binnenkomen, verwelkom je ze en laat je ze de lijst tekenen, en handelt eventuele geldzaken af. Dan wijs je ze de juiste zaal toe, noteert eventuele lunchbestellingen, herhaalt het parkeerbeleid tot in den treuren om boetes te voorkomen. Dat soort dingen.

Vergeef mij mijn vraag, maar hoe staat dat in relatie met de recentelijke topscores waar we het zojuist over hadden?

Het is eigenlijk heel simpel. Momenteel is het Paasvakantie. In de vakantietijd worden er natuurlijk veel cursussen gegeven. Het enige dat ik hoefde te doen, was impulsief ja zeggen op alle openstaande dagen waarop ze nog vrijwilligers zochten.

… ik geloof dat ik het verband nog steeds niet zie…

Wel grappig dat u dat zegt, ik zag het zelf in het begin namelijk ook totaal niet. Ik dacht dat een en ander los van elkaar gebeurde. Het was uiteindelijk mijn vriend die mij erop attendeerde dat het wel degelijk samenhing met elkaar. Kijk, een jaartje geleden zat ik diep vast in een depressie, door het feit dat ik verlamd was door angsten. In die tijd bracht ik complete dagen door met het spelen van spelletjes op de pc. Het maakte niet uit wat het was, als het maar repetitief en mindnumbing was.

Ik denk dat ik zie waar u naartoe wilt…

Precies: doordat alles zo moeilijk voelde toentertijd, kon ik amper impulsen van buitenaf erbij hebben. Alles brak me op, van een simpel gesprek tot beslissen wat ik wilde eten. Ik vluchtte dus in mijn computer. Maar goed, ondertussen zijn we weer een jaar verder en heb ik weer een redelijk normaal leven.

En toch zie ik topscores op zowel hartenjagen als patience hier op uw scherm…?

Ja, dat kan ik niet ontkennen. Sinds afgelopen week zit ik weer aan mijn scherm gekluisterd en klik ik me een muisarm. Ik speel het ene potje na het andere en merk niet eens op of ik win of verlies.

Mag ik daaruit concluderen dat het dus eigenlijk… heel slecht met u gaat?

Zie, dat is een goede vraag. Ik dacht dat alles prima ging, en ik alleen wat veel dagen werk had ingepland.  Terwijl ik achter mijn pc het zoveelste spelletje patience speelde, drong er een moment lang tot me door dat ik dat spel eigenlijk helemaal niet leuk vind. Ik mompelde dan ook ‘ waarom speel ik dit spel eigenlijk?’ Min of meer retorisch bedoeld, ik klikte alweer op een nieuw spel toen mijn vriend reageerde met ‘omdat je weer hersenloze spelletjes aan het doen bent omdat je over je grenzen gaat’.

En dat was de zogenaamde eye-opener

Zoiets ja. Ik dacht na over wat hij zei en moest hem gelijk geven. Ik voel me op de hielen gezeten door ‘moeten’ en ‘presteren’ en ben erg kribbig en in mezelf gekeerd wanneer ik thuis ben. Blijkbaar sta ik nog niet echt sterk in mijn schoenen en krijg ik al snel een overdosis realiteit. En dan vlucht ik dus weer keihard weg.

Dus als ik het goed begrijp, moet ik u eigenlijk helemaal niet feliciteren met uw topscores, maar juist eh… condoleren met het verlies van uw grip op uzelf?

Daar komt het wel op neer ja. Ik ben een sukkel. Een overenthousiaste sukkel. Die dus iedere vrije minuut aan de virtuele kaarten gekluisterd zit. Totdat ik weer een stapje terug kan doen en minder hooi op mijn vork neem. Na eind volgende week dus, om precies te zijn.

U verwacht dus niet dat uw topscorende eh… hobby aanhoudt?

Ik hoop het niet.

Mag ik u bedanken voor uw openheid tijdens dit interview?

Ja hoor. Neem uw tijd.

U heeft toch niets beters te doen bedoelt u?

Inderdaad. Het is momenteel kwart over twee in de nacht en ik lig nog klaarwakker in bed. Om maar niet te stressen over alle dagen die ik nog moet werken, verzin ik fictieve interviews die ik in een logje ga gieten de dag erna.

Bent u niet bang dat u de mooie zinnen en scherpzinnige opmerkingen vergeet tijdens uw slaap?

Ach, dat is niet zo’n ramp. Voorheen stond ik dan midden in de nacht op en schreef ik meteen op wat ik bedacht, maar dat komt je slaapritme niet ten goede, dus dat mag ik niet meer doen van mezelf. Als gevolg daarvan gaan inderdaad de prachtigste zinnen verloren, maar daar komen de lezers wel overheen hoor.

Ik denk dat ons interview nu wel afgerond is. Bedankt en wellicht tot ziens in betere tijden!

Dank u voor uw hulp, de tijd vliegt om terwijl ik hier zo het donker in lig te staren. Als u mij nu met rust wil laten, dan kan ik in gedachten een oneindige wenteltrap af gaan wandelen. Ja, wat ik allemaal niet doe om stressvolle gedachten te voorkomen, u wilt het helemaal niet weten.  Tot ziens!

*Hoe een mens rampen voorkomt

Ik kijk naar de punten van mijn schoenen, ze piepen zo leuk onder mijn broekspijpen vandaan. Voor ik ze aan kon trekken moest ik ze eerst stevig afstoffen, niet alleen omdat ik ze maanden niet gedragen had, maar vooral omdat er verbouwingen in huis waren geweest, die overal een dikke laag stof en zand op achtergelaten hadden.

En nu loop ik mijn straat uit, zo nu en dan blij naar mijn tenen starend. Ik weet wel dat ik eigenlijk mijn hoofd in mijn nek moet leggen en de zonnestralen op mijn gezicht moet voelen, maar voor mij zit de lente vandaag in mijn schoenen. Sokloos wandel ik naar het zebrapad, genietend van iedere zomerse stap.

Ballerina’s heten ze geloof ik. Maar in gedachten noem ik ze gewoon lekker ‘mijn zwarte schoentjes met wit graffiti-friemeltje’. En dat friemeltje, dat doet het hem. Dat hypnotiseert mij bij iedere stap. Voet naar voren, friemeltje bekijken, volgende voet naar voren, tweede friemeltje bekijken. Ondertussen heeft het eerste friemeltje zich in mijn broekspijp verstopt, maar niet getreurd: het komt gewoon weer even vrolijk boven water bij iedere nieuwe stap.

Bij het zebrapad aangekomen voegt een wat oudere man zich bij mij. Gezamenlijk stappen we naar de overkant, de auto’s remmen af en ik laat de man een stap op me voor lopen. We hebben hetzelfde tempo namelijk, en als ik niets aan de situatie doe, lopen we dadelijk een heel eind naast elkaar. De man is bruin. De man is grijs. De man is een beetje geblokt. Ik vind bruin een sympathieke kleur voor kleding, en grijs haar duidt veelal op vriendelijkheid. Ik besluit de man aardig te vinden, ondanks zijn geruite bloesje.

Op de stoep aan de overkant aangekomen blijkt hij inderdaad ook naar links te gaan. We wandelen in ganzenpas met de zon op onze kruin. Ik bekijk de statige dames in een etalage. Daar zit de zomer ook al in, aan de felle kleuren, uitbundige bloemenmotieven en korte rokjes te zien. Mijn blik daalt weer af naar mijn voeten. Mijn zomer is leuker dan die van jullie. Mijn zomer wandelt en heeft tevoorschijn piepende friemeltjes.

De aardige man doet een hupje naar links en draait zijn bovenlijf naar mij om. Zijn gezicht blijkt met mijn aanname te kloppen. Met een aangenaam doorleefde stem vraagt hij of er hier in de straat een parfumerie ligt. Ik knik, vertel hem met uitgestrekte arm en wijzende vinger dat hij er al bijna is. Vrolijk deelt hij mij mede dat hij dat niet wist. Ik weet niet of en hoe ik daarop moet reageren.

‘Ik weet het wel, maar dat weet u al.’ Nee, dat slaat nergens op. ‘Dan weet u het nu.’ Dat klinkt weer zo belerend. ‘Dat dacht ik al aan uw vraag te merken.’ Pff. Ik besluit dat er inderdaad niet op te reageren valt. Op hetzelfde moment bedankt de aardige man mij vriendelijk, en versnelt heel even zijn pas zodat we wederom niet nodeloos naast elkaar blijven lopen.

Eventjes vergeet ik mijn schoenen, en laat mijn gedachten gaan over de vraag voor wie hij parfum zal gaan kopen. Misschien heeft hij thuis een even grijze vrouw, en hebben ze iets te vieren. Misschien heeft hij wel een nichtje met een bruine rok en een geruit truitje (het zit in de familie), voor wie hij graag iets speciaals koopt. Misschien heeft hij wel een twintig jaar jongere vriendin die hem weer helemaal tot leven brengt en graag lekker ruikt. Misschien koopt hij een luchtje voor zichzelf, zodat hij het volgende meisje dat hij aanspreekt op straat kan verblijden met een prettige olfactorische sensatie, om zijn aardige verschijning nog meer te laten spreken.

Als ik parfum zou kopen vandaag, bedenk ik dan, zou ik een zomers luchtje aanschaffen. Iets met frisse bloemen en blauwe lucht. En daarmee zou ik dan, heel miniem, de neuzen van mijn schoentjes besproeien. Niet teveel natuurlijk, dat zou die neuzen maar verstoppen. Nee, net genoeg om ze datzelfde zomerse gevoel te geven dat ik nu ervaar. En dan zouden we gedrieën van de zon genieten. Wanneer ik terug thuis zou zijn, zou ik mijn schoentjes in de tuin zetten, op het gras.

En wanneer ik er goed naar zou kijken, zou ik zien dat het zomerse parfum vlekken had achtergelaten op het zwarte leer. Uitgebeten spatjes rondom de witte friemeltjes. En dan zou ik moeten kiezen tussen boosheid en verdriet. Nee, bedenk ik dan, ik ga toch maar gewoon zeep en tandpasta kopen in de drogisterij, daarvoor kwam ik tenslotte.

En zo liep ik de parfumerie snel voorbij, op mijn zomerse schoentjes, terwijl ik naar het witte friemeltje keek. Dat zo mooi afstak tegen dat maagdelijk effen zwart.

*Wijsstrijd

‘Als je in bed ligt, en je om wil draaien, draai je altijd op je rug en dan door naar de andere kant. Je draait nooit via je buik om. Dat zal wel zo zijn omdat je op die manier je hoofd niet in je kussen hoeft te begraven, en je armen niet klem komen te zitten.’

Ze glimlachte. ‘Zie je wel dat ik niet de hele tijd aan hem denk!’ Ze grinnikte zachtjes in zichzelf en draaide op haar andere zij. Nu ze een hele gedachte had besteed aan iets anders dan hem, vond ze het wel weer geoorloofd om verder te gaan met het overlopen van de avond in haar gedachten. Ze kon nooit meteen slapen, maar de laatste tijd was het nog net iets moeilijker.

Ze werkten samen achter de bar, al een maand nu. Toen ze voor het eerst samen dienst hadden, was het al snel duidelijk dat ze een zwak voor elkaar hadden. Hij had iets zachts in zijn doen, iets dat haar deed verlangen naar zijn aanraking. Zijn bruine ogen en bijna zwarte haar, zijn lange maar welgevormde lijf. Hij was ook niet bij haar weg te slaan. Ze konden uren met elkaar praten, lachen, en nog goed samenwerken ook.

Vanavond waren ze weer samen ingeroosterd geweest. Hij had een groen shirtje aan, dat strak om zijn bovenarmen zat en losjes om zijn middel hing. Ze had zich moeten inhouden haar armen om hem heen te slaan terwijl ze achter hem stond, haar handen op zijn buik te laten rusten, haar kin op zijn schouder te leggen. Als ze in de smalle ruimte achter de toog langs elkaar heen moesten schuifelen, bleven ze vaak iets langer tegen elkaar aan staan dan nodig was.

Het was een rustige avond geweest in de kroeg, wat hen meer tijd had gegeven om met elkaar te kletsen. Zoals iedere dag dat ze samen moesten werken, hadden ze er allebei naar uitgekeken. Terwijl ze flauwe grappen tegen elkaar maakten liepen de laatste twee klanten de nacht in. Ze keek op de klok, eigenlijk moesten ze nog een half uur open blijven, en de avond kon haar niet lang genoeg duren, dus ze maakte geen aanstalten de deur te sluiten.

Hij wierp een vluchtige blik op de klok en pakte de glazen van de bar. Hij kwam dicht tegen haar aanstaan om de glazen te spoelen, en ze bespraken de vermeende geestestoestand van de laatste vaste klant die binnen geweest was vanavond. Zijn handen bleven in het sop rusten terwijl ze gedachten uitwisselden. Geen van beiden had zin weer afstand van de ander te nemen.

Ze steunde haar ellebogen op het hout en draaide een lok van haar haren tussen haar vingers. Hij schudde zijn handen boven het water, spetterde haar opzettelijk een paar druppels in het gezicht voor hij met een glimlach naar de theedoek in zijn achterzak greep. Terwijl hij zijn vingers droogde keek ze naar hem op, quasi beledigd. Hij grijnsde en nam een punt van de theedoek. Zachtjes depte hij haar wang, haar voorhoofd.

Ze zuchtte, glimlachte naar hem. ‘Moeilijk he, dit?’ Hij keek haar een moment nietszeggend aan. Toen verzachtte zijn blik, en hij knikte. Zacht veegde hij een lok haar van haar voorhoofd. Ze liet hem begaan. Voorzichtig, met de toppen van zijn vingers, streelde hij haar wang. Ze nam zijn hand in de hare, kneep even in zijn vingers. Ze stonden nu dicht tegen elkaar aan, schouder aan schouder.

Ze voelde de spanning die er tussen hen hing terwijl ze elkaar in de ogen keken. Stil bracht hij zijn gezicht naar het hare toe, tot ze zijn adem op haar lippen voelde. Trillend hief ze haar hand op, aaide de brug van zijn neus, tot aan het puntje. Nu was het zijn beurt om te zuchten. ‘Je hebt gelijk.’ Ze knikte terwijl ze wat afstand nam. Hij nam haar hand, verstrengelde zijn vingers in de hare. Zo stonden ze daar, achter de bar, vol van het moment.

‘Laten we hier gewoon van genieten,’ sprak ze zacht, ‘ik voel me al een maand lang onoverwinnelijk. En zo warm vanbinnen.’ Ze grijnsden naar elkaar. ‘Ik weet dat jij voelt wat ik voel, en ik weet dat het me ontzettend goed doet.’ Ze knepen in elkaars hand. ‘Je bent zo mooi, zo lief, en de spanning als we in elkaars buurt zijn is te snijden.’ Hij schoot in de lach: ‘Dat kun je wel zeggen ja! Ik voel me heerlijk in jouw buurt.’ Ze glimlachte terwijl ze het woord weer nam: ‘Ook als ik niet in je buurt ben, voel ik me heerlijk. Dat is nu juist zo lekker eraan: alles lijkt mooier, intenser, kleuriger. Je tilt me op.’

Hij knikte weer instemmend, streelde met de rug van zijn hand haar blote arm. ‘Je hebt gelijk hoor, ik snap waar je naartoe wilt.’ Hij liet even alles bezinken voor hij verder sprak. ‘Ok, we gaan hier gewoon met volle teugen van genieten.’ Met twinkelende ogen voegde hij eraan toe: ‘Doe jij de tap? Dan doe ik de tafels.’ Ze glimlachte en gleed voor hem langs naar de tap. Hij op zijn beurt stapte achter haar aan en legde eventjes zijn handen losjes rond haar heupen terwijl hij haar passeerde op weg naar de tafels.

Het was donker in de slaapkamer. Toch lag ze met een brede glimlach in haar bed. Ze was blij dat het nu duidelijk was, tussen hen. Zij wist als geen ander dat verliefdheid, hoe heerlijk het ook voelde, nooit van blijvende aard was. Maar dat dat niet betekende dat ervan genieten een misdaad was. Ze schoof wat naar het midden en sloeg haar arm om zijn slapende middel. Hij moest morgen weer vroeg op, eerst langs de schoolpoort en dan naar kantoor. Ze drukte een welgemeende kus in zijn nek, net onder zijn blonde, warrige haren, terwijl ze tegen zijn warme lijf aankroop.

Terwijl ze haar ogen sloot wist ze dat hij op dit moment, in een ander huis, in een ander bed, precies hetzelfde deed. En dat ze dit allebei zouden blijven doen, tot de wereld weer normaal was. Ze begroef haar glimlachende gezicht in zijn haren en snoof de vertrouwde geur op. Hij werd half wakker en draaide zich naar haar om, sloeg zijn arm om haar heen. ‘Ik hou van je,’ fluisterde ze. ‘Dat weet ik toch,’ mompelde hij terwijl hij haar wang aaide, ‘ik ook van jou. Ik ook van jou.’ Met de glimlach op haar gezicht gebeiteld hoorde ze hoe hij weer in slaap viel terwijl zij de nacht in keek. ‘Nog heel even, dan ga ik ook slapen,’ dacht ze, terwijl ze gaapte.